Over godsdienst, religie en het vergeten begrip coniunctio
Een pleidooi voor de etymologie van Lactantius
Etymologie
Godsdienst en religie zijn twee begrippen die in het dagelijkse taalgebruik dikwijls uitwisselbaar worden gebruikt. De moderne etymologische verklaringen van het woord ‘religie’ verantwoorden dit ook: de oorsprong van het begrip religio zou volgens de gangbare consensus liggen in het Latijnse werkwoord ‘religere’ dat iets als ‘verplichten’ betekend moet hebben. Op deze wijze verwijst religie – net als het begrip godsdienst – naar het (onder zekere dwang en verplichting) volgen van een aantal regels in een ethisch-sociaal-cultureel complex horende bij het ‘dienen’ van de specifiek aanbeden god of goden: een dienst aan god of dus gods-dienst.
Oorspronkelijker
Mooi zo, de verklaring om de 2 begrippen als uitwisselbaar te beschouwen voldoet alvast aan de vereisten van Ockhams razor, economie van begrippen, waarom 2 woorden gebruiken als het ook met één gaat… een verarming waarschijnlijk onder invloed van de meeste andere talen waar inderdaad slechts 1 woord wordt gehanteerd (cf. religion). Maar door 2 begrippen als synoniemen te behandelen, verliezen we misschien wel betekenis die aan de grondslag ligt…
Naast de vermelde moderne oorsprongsverklaring zijn er enkele oudere etymologische verwijzingen die in onbruik zijn geraakt. De belangrijkste hiervan is die van Lactantius (3de eeuw n.Chr). Als etymologische oorsprong van het begrip religie verwijst hij naar het Latijnse ‘religare’ wat ‘her-verbinden’ betekent, een betekenis die ook door het Latijnse begrip ‘coniunctio’ wordt aangeduid.
We botsen hier op een fundamenteel verschillende betekenis die gehecht kan worden aan de begrippen godsdienst en religie en dit in tegenstelling met het gangbare gebruik.
Terwijl ‘godsdienst’ eerder een passief begrip is – nl. het zich ten dienste stellen van, het ondergaan, het opvolgen van de regels en wetten uitgevaardigd door de behoeders van de godsdienst en zodanig de betekenis volgend van de moderne etymologische verklaring – is het tweede actief, op die wijze dat het de act(ie) in houdt zich te verbinden of toch minstens zich verbonden te voelen met een ‘iets’: voor sommigen een persoonlijke, antropomorfe god (of goden), voor anderen eerder een gedepersonaliseerde mystiek-spirituele aanwezigheid verborgen achter de façade van het oppervlakkige.
“voor” en “van”
Godsdienst als passief begrip is in deze betekenis “voor” de aanhangige, voor de volger en doordat iets ‘voor’ steeds anti-wederkerend is, dus ook voor de onpersoonlijke, grotere ‘massa’, lijdzaam het door de godsdienst voorgeschrevene na-levend in een lijdend leven. Religie daarentegen in zijn actieve betekenis associëren we met het reflexieve, het op zichzelf terugbuigende, het particuliere en dus met de enkeling. Religie is daarom “van” het individu, ván de begenadigde: hier zeker geen massa maar een minderheid, geen volger maar een leidende, leidend minstens in de betekenis van actief het eigen leven leidend en zelf richting gevend.
Causaal kan men vervolgens aanhalen dat de (passieve) godsdienst van de velen zijn ontstaansgeschiedenis vindt in de (actieve) religie van de enkeling, met die opmerking dat deze laatste de eventuele uitbouw van het te volgen formele stelsel hierbij meestal niet zelf uittekenend, een klus die eerder geklaard wordt door – zoals steeds – de haantjes onder de volgers, de boekhouders van de macht die misbruik makend van de door onzekerheid gekenmerkte en naar structuur smachtende velen trachten een leidraad en vertaling te geven van het aan de basis liggende religieus begrip in een door de velen verstaanbare taal: regels, voorschriften, geboden. De afhankelijkheid creatie hierbij is natuurlijk het meegenomen surplus…
Ook voor die religieuze enkelingen die hun eigen coniunctio ervaringen uitdrukken in menselijke, antropomorfe termen geldt deels dit laatste. Geen taal of verwoording – bij definitie abstraherend – is in staat een rechtstreekse en ondubbelzinnige uitdrukking te geven van het oorspronkelijke. Religieuze taal is dan ook een illusie. Het omfloersen, het omsluieren, het dichterlijke rondjes draaien kan enkel begrepen worden als de goedbedoelde poging dit alles te willen delen en een vertaling aan te bieden naar die ene uitdrukkingsvorm – taal – die wel kan begrepen worden door de velen.
Godsdienst kunnen we dan uiteindelijk in hoofdzaak beschouwen als de vertaling van dit onuitspreekbare ten behoeve van de niet-religieuzen: de dwalende kudde die geleid dient te worden, de individuele schapen die zonder leidraad en zonder eigen voldoende diepgaand religieus besef, hoe dan ook verloren zouden lopen. Een beeldspraak die op deze wijze letterlijk wordt overgenomen door verschillende godsdiensten.
Kritiek
Maar Lactantius’ etymologie is in onbruik geraakt en ondertussen al lang vergeten, alsof elke extra nuance die begrippen zich doet onderscheiden van elkaar, het allemaal alleen maar moeilijker zou maken. Het is dan ook zoveel eenvoudiger abstractie te nemen van het achterliggende – want actieve betrokkenheid vragend – en zich te laten leiden door dat wat de nodige structuur en zekerheid brengt, oh horror vacui. Of is er hier echt geen keuze en wordt het begrip religie in de betekenis van Lactantius en zijn coniunctio in de vergetelheid gedrukt doordat er überhaupt geen voedingsbodem voor bestaat bij de velen. Misschien is er bij de velen echt geen besef meer van een onderscheid en klinkt steeds luider het ‘waar heb je het eigenlijk over?’. Het is alleszins getuige van een gebrek aan subtiliteit in ons taalgebruik, dikwijls oorzaak van verstrekkende misverstanden. Gevaar van misbruik loert hierdoor onmiskenbaar om de hoek.
Godsdienst wordt dusdanig dan ook aanzien en herleid tot enkel hét verplicht te volgen regelsysteem, in het beste geval ge-ent op de religiositeit van de enkeling, vruchteloos vertaald naar menselijke categorieën, met een canoniek, ordenend systeem als resultaat, van verre nog verwijzend naar iets oorspronkelijks maar dit enkel nog als het noodzakelijke legitimatie schaamlapje. Godsdienst krijgt vervolgens de opdracht de hoe dan ook aanwezige spirituele energie te beteugelen die zonder de juiste kanalisatie als een ongeleid projectiel zou teloorgaan. Maar losgekoppeld van zijn achterliggende religieuze oorsprong staan we hier oog in oog met het ontaarde karakter van godsdienst, de sturing vanuit zijn oorsprong die vervaagt en wordt vervangen door het louter nastreven van zijn afgeleide motieven: godsdienst uiteindelijk niet meer als middel tot, maar als doel op zich…
Aansluitend manifesteert zich het aangekondigde gevaar: het regelsysteem dat elke vorm kan aannemen en waarbij de nu wél gekanaliseerde energie aangewend kan worden voor elk vooropgesteld doel. We spreken bijgaand enkel nog over godsdienst zolang er voldoende velen door gemobiliseerd kunnen worden en het opgediend wordt met het bijpassend sausje waar nog een vleugje religieuze zoetigheid in aangetroffen kan worden, van verre refererend naar een ondertussen fictieve, dieperliggende grond. Inwisselbaarheid is dan ook niet ver af…
Hoop
Misschien lopen we iets te hard van stapel, misschien is het in zwart-wit termen afdoen van elke godsdienst als een ontaard en daardoor gevaarlijk keurslijf waar de velen zich zonder nadenken naar plooien, net één stap te ver. De 3 belangrijkste westerse overleveringsgodsdiensten (jodendom, christendom, islam) hebben hun aantrekkingskracht en bijhorende legitimatie waarschijnlijk niet voor niets nog lang niet verloren. Ook mogen we er van uit gaan dat vele – maar zeker niet alle – deelnemers aan deze godsdiensten, bij tijden in min of meerdere mate zelf ook persoonlijke ervaringen ondergaan die als mystiek/religieus – zeg maar oorsprongservaringen – benoemd kunnen worden. Misschien worden ze wel geïnspireerd door dat verborgen, achterliggend onvatbare verwijzende, en is dit net de trigger voor toch een persoonlijke beleving, ondanks het formeel, dwingend, regelgevend systeem. Aangesproken door enige herkenbaarheid en de veruitwendiging hiervan via specifieke riten, zijn en blijven ze dan ook deelachtig aan de door hen gekozen, al dan niet onrechtstreeks toegewezen, godsdienst. En zoekt niet elke mens naar zijn individuele bevestiging, zoekt niet ieder naar die grond onder zijn voeten, standvastigheid, plaatsen om het anker uit te gooien, hierbij terugvallend op gewoonten en tradities? En is dit nu net niet dat wat formeel en herkenbaar gemaakt wordt in de verschillende riten van elke godsdienst? Is godsdienst dan trouwens ook niet meer – maar ook niet minder – dan een invulling van deze onveranderlijke basisbehoeften: elke godsdienst, of op zijn minst zijn praktijk, wijzigt misschien wel voortdurend, maar recupereert in al zijn verschillende verschijningsvormen toch steeds weer opnieuw deze noodzakelijkheid. Godsdienst die dus de taak op zich neemt hier vorm aan te geven, onafhankelijk van de particuliere eigenschappen van de specifieke godsdienst.
En blijft het hier echt enkel bij recuperatie? Is het echt niet meer dan enkel het passief in zich opnemen van wat reeds bestond? Wat een creativiteit ontstaat er niet – ondanks het gedwongen keurslijf – dankzij al die verschillende godsdiensten. Welke prachtige gebouwen zouden we ontberen, wat een hemelse muziek zou ons verstoken zijn gebleven, welke betoverende schilderwerken zouden nooit gemaakt zijn geworden… Godsdienst dus als katalysator voor de verschillende kunsten, schoonheid waar we ons als individu eindeloos aan kunnen laven, de cirkel sluitend door misschien op deze wijze opnieuw die vergeten oorsprong net iets terug dichterbij te halen.
Maar herinner, het gevaar loerde om de hoek, nog steeds, ondanks alle hoop, ondanks alle grootsheid en pracht waar we zonder die sturende onderstroom van verstoken zouden blijven… Godsdienst blijft bij uitstek hét energie beteugelingsmechanisme waar diegenen te situeren in het primaire ontwikkelend deel van het bewustzijnsspectrum, extreem vatbaar voor zijn. Godsdienst beroept zich op en appelleert aan een – weliswaar niet echt begrepen – achterliggend zingevend complex dat dan ook voor dezen de nodige inbedding van het onzekere in de zo gezochte zekerheid biedt. Enkel reeds de ‘deelname aan’ geeft het nodige gevoel van geborgenheid, geeft de impressie van een vleug van inzicht, het vermoeden van een grondvestigende diepere betekenis en zin. De velen, niet in staat vanuit het eigen religieus aanvoelen een leidend normen en regelsysteem uit te bouwen, krijgen op deze wijze uiteindelijk toch de mogelijkheid zich een identiteit aan te meten, zich een plaats toe te eigenen: hoe sta ik als individu in de werkelijkheid, wat zijn mijn grenzen, wat is mijn interactie met het buiten. De antwoorden dienen niet zelf gezocht te worden maar worden aangereikt.
Dit is op zich geen probleem. Meer zelfs: het is net dankzij deze gedurende duizenden jaren gevormde legitieme systemen dat de overschotten aan menselijke energie gericht gekanaliseerd worden. Historisch gezien – de vele excessen hier even gemakshalve buiten beschouwing gelaten – in grote lijnen ten goede van een zich beter organiserende en groeiende humanisatie.
Toch gevaar
Het gevaar zit echter in de premisses van dit fragiele gebeuren: wat is de verhouding velen volgenden ex-coniunctio tegenover de (minder?) velen deelnemenden in-coniunctio? De eersten – we noemen ze de niet-religieus-godsdienstigen – zijn onderhevig aan en hebben een extreme gevoeligheid voor aberraties in hun godsdienst beleving. Herinner, inwisselbaarheid is nooit veraf. Het rustgevende van de deelachtigheid, gegrond op een weliswaar onnoembaar achterliggend mobiliserend groots, heeft de potentie in zich het regelsysteem elke kant op te sturen. Een godsdienst zonder impliciet richting gevende religieuze grond kan dan ook op deze wijze een vorm van ’bewapening’ worden. Dankzij de omweg van de godsdienst, maar met rugdekking van een fictief achterliggend legitimatie systeem, wordt de manipulatie van de velen niet-religieus-godsdienstigen in functie van elk doel mogelijk. Schaapachtige volgers voeren dan ook zonder diepere reflexie uit wat wordt opgedragen, hiervoor in de plaats ontvangend de hen zo gegeerde zekerheid en het gevoel deelachtig te zijn aan dat hogere doel, een doel dat weliswaar volledig buiten henzelf ligt.
Maar wat in de premisse deze verhouding ook is, hoeveel veel wel-of-niet-religieus-godsdienstigen er ook zijn, hoeveel wel-of-niet-religieus-niet-godsdienstigen, een nieuw soort leger kan op deze wijze gemobiliseerd worden, het is het leger dat de Joker als president kan verkiezen, het leger dat opgeroepen kan worden om te vechten voor de waanzin van een kalifaat, het leger ook dat in gaat op de roep naar meer lebensraum – in de brede betekenis van het woord – voor het eigen herkenbare wij, een wendbaar leger, snel inzetbaar en tot alles in staat…
Grondbegrippen
Wat een pessimisme, wat een weinig vertrouwen, een mensheid gereduceerd tot een massa individuen zonder eigen verworven grond onder de voeten, zich in het lege verloren wanend en als domme massa inzetbaar voor wat dan ook, en dit voornamelijk door de macht van het getal. En daar tegenoverstaand de verwaande enkeling die meent niet meer om zich heen te zien dan enkel onbewust in-(gods)dienst-zijnden, een menigte tot niet meer in staat dan tot wat ze zichzelf reduceerde: volgen. Volgers van een godsdienst of volgers van wat dan ook doordat het begrip ‘godsdienst’ misschien even niet goed in de markt ligt: volgers van iets en dit onafhankelijk of dit een verwijzing inhoudt naar een al dan niet deïstische entiteit, dan eerder een achterna lopen is van één van de vele andere gouden kalveren. Is het dan echt zo wanhopig, is er echt geen hoop meer, en vooral, wat met die ene verwaande – zichzelf geïsoleerd voelende – toch nog wel religieuze enkeling?
Maar net als het individu dat zich inspant en zich door zijn voortdurende pogingen van voortschrijdend inzicht verder ontwikkelt, is er ook steeds die analoge ontplooiing op een ander schaal: een menszijn dat gekenmerkt wordt door zijn inspanning tot menswording. En wat is dit anders dan een evolutie van zijn geest (~mens), de evolutie van zijn bewustzijn door openstaan voor en ontvankelijkheid toe te laten. En is dit dan niet niet-meer dan een terug in overeenstemming komen van zijn losgeslagen ratio met zijn ontstaansgrond? Voortschrijdend bewustzijn niet enkel als na te streven toestand van de enkeling maar als onherleidbare en onontkoombare basis van de werkelijkheid zelf, dit als enige ‘geloof’ dat er uiteindelijk echt toe doet. En was dit nu net niet wat Lactantius bedoelde met zijn verloren gewaande begrip coniunctio?