over de recuperatie van het breuklijnmotief in ideologisch verarmde tijden
over breuklijn-relativisme als grondstof bij de uitbuiting van het identitaire denken
lees als PDF
Het merendeel van de historische ideologieën zijn gebouwd rond sociaal-economische of culturele breuklijnen: rijk-arm of kapitaal-proletariaat, kerk-staat, allochtoon-autochtoon, eigentaal-anderstalig, vrijheid-onvrijheid, bezit-geen bezit, … Een breuklijn ontstaat door zich te beroepen op zulk een tegenstelling en de subjecten in te delen aan deze of gene zijde van de scheidingslijn. Hierbij is telkens één van de 2 partijen in zekere mate de dupe of het slachtoffer van de andere zijde: men spreekt dan ook steeds over transfers, dit in de ruime zin van het woord: de niet-symmetrische, als unfair beschouwde overdrachten van de ene naar de andere zijde. Dit kan gaan om geld, vrijheid, beïnvloeding en impact, meer algemeen om mogelijkheden.
De historische ideologieën zijn in essentie ontstaan uit een schreeuw naar meer rechtvaardigheid met als uiteindelijk doel het stellen van het vooruitzicht op een betere wereld waarin de breuklijn die de oorzaak van de onrechtvaardigheid is in het betere geval teniet wordt gedaan, dan wel de richting van de transfers wordt omgekeerd. Niet alle ideologieën zijn natuurlijk even succesvol gebleken in het bereiken van hun doel.
Bij het inlijven van subjecten voor een ideologie herkent men de mechanismen die gebaseerd zijn op de eigenschappen van de specifieke breuklijn: identificatie gebeurt op basis van de breuklijn-eigen in- en exclusiecriteria. Daarnaast heeft het proces van ideologische werving echter ook een gezamenlijke onderbouw: naast het vooruitzicht op een betere en eerlijkere wereld waar de nadelen van de breuklijn teniet worden gedaan, wordt tegelijkertijd tegemoet gekomen en een invulling gegeven aan de existentiële onzekerheid waar het individu onderhevig aan is. Het vooruitzicht van een veilige haven, het gevoel thuis kunnen zijn bij lotgenoten en bekenden, het zich opgenomen voelen in een gemeenschap en dit onafhankelijk aan welke kant van de breuklijn men zich bevindt. Dus, weer in essentie, onderliggend vindt men telkens opnieuw de drang naar identificatie gebaseerd op het door de breuklijn duidelijk gemaakte onderscheidt van het zelf en het andere, het zich confirmerende en dus het goede dat zich aan deze zijde van de lijn bevindt ten overstaan van het kwade daarachter. De breuklijn appelleert zodoende aan de in elk individu ingebakken reflex om greep te krijgen op de onvatbare buitenwereld door middel van een doorgedreven categorisatie die zich als enige doel stelt het eigen ik – en in uitbreiding de ruimere identiteit waartoe het individu hoort – duidelijker geprononceerd te krijgen. Grip krijgen op de werkelijkheid, de identiteitsvorming en de breuklijnen die deze afbakenen geven hiervoor de nodige houvast, de breuklijn als welgekomen handgreep op de roetsjbaan van het leven.
Tot zover een plausibele verklaring wat betreft de traditionele ideologieën.
Maar is dit alles nog steeds van toepassing in onze geglobaliseerde, neoliberale 21ste eeuw waarin de postmoderne tijden en het kortstondige ‘einde van de geschiedenis’ van über-simplist Fukuyama (toen toch) ondertussen ook alweer allang voorbij zijn?
Misschien dienen we te spreken over post-postmoderne en post-neoliberale tijden gekenmerkt door zijn crisissen alom: de vrije markt die niet heeft waargemaakt wat ze had beloofd, de politieke democratieën die niet steeds even inclusief bleken te zijn, banken en muntstelsels op de wip, gesprongen bubbels, het afbrokkelen van voor de eeuwigheid gedachte instellingen, de algemene perceptie van teloorgang van de gangbare zeden uitmuntend in radicalisering al dan niet gestuurd vanuit een godsdienstig fanatisme, het post-truth tijdperk bevolkt door schertsfiguren als een Trump, Farage en Johnson, de Kim dynastie … Al is er in de hoofden van de hedendaagse, angstige mens geen volledige de-fragmentering van de werkelijkheid opgetreden (herinner, het postmodernisme heeft stilaan ook zijn beste tijd gehad), toch is er het toenemende knagende gevoel zich steeds minder thuis te voelen in een steeds meer diffuse, ongrijpbare wereld waar de voordien door oude ideologieën uitgezette bakens stilaan allemaal verdwijnen.
Het gevolg is duidelijk: een nog sterker toegenomen en verhoogde onzekerheid van de subjecten met betrekking welke plaats ze hierin kunnen, mogen of moeten innemen. De vertrouwde historische ideologieën – de houvast uit het verleden in bange dagen – gebaseerd op de veilige, herkenbare historische breuklijnen, passen duidelijk niet meer in het tijdsgewricht en bieden dusdanig onvoldoende of geen bescherming meer. Hun relevantie wordt voortdurend verder in vraag gesteld en uiteindelijk verweren ze tot een schrale, verarmde voedingsbodem voor de traditionele sociale stromingen: het deficit van de hierop gefundeerde politieke partijen dat we de voorbije jaren meemaken…
Maar de mens blijft mens, blijft op zoek naar zijn zekerheid, zijn identiteit. Wat zou het toch handig zijn als hij hiervoor weer op het oude beproefde recept dat de breuklijn uiteindelijk was, zou kunnen terugvallen. De roep wordt dan ook steeds sterker: “ik wil een breuklijn!” Zolang ’t maar een breuklijn is waaraan hij zich kan vasthouden, want zich kunnen vasthouden is nu de essentie en al lang niet meer de eventueel achterliggende tegenstelling waar de breuklijn zich op beroept. Dit alles dan liefst ook nog onmiddellijk, nu, maintenant, asap… Het inhoudelijke wordt uiteindelijk ondergeschikt, zolang er maar weer een project te vinden is om zich met te kunnen identificeren, om zich te kunnen mobiliseren in een bepaalde richting, om zich terug in een groep te kunnen insluiten en een wereld daarbuiten uit te sluiten.
Een nieuw, voordien ongekend relativisme steekt hierbij de kop op: breuklijn-relativisme. Cynisch voor wie het herkent, maar zo kenmerkend voor de tijd: welke breuklijn construeren we al dan niet zelf al dan niet gebaseerd op een al dan niet problematische tegenstelling om het in- en uitgeslotene op te baseren ter mobilisatie van een doelpubliek. Wat zetten we vandaag op het menu om een wervende ideologie op te baseren, wat kan eenvoudig ver-markt worden…Vandaag misschien iets communautair, morgen misschien het wat verder uitdiepen van enig verschil tussen moslims en niet-moslims zoals gisteren tussen joden en niet-joden, overmorgen misschien die trage Limburgers of waarom niet gewoon nog eens opnieuw de man-vrouw relatie of het blank-zwart kleurverschil of werkende-werkloze of jongere-oudere of blauwe-bruinogige, of short people got no reason, of, of, of… In wezen kunnen er dan ook naast de tientallen reeds gekende en gangbare breuklijnen, ontelbare scheidingslijnen getrokken worden: in de limiet kan elk kenmerk tot in het interpersoonlijke en zelfs het intra-persoonlijke fundament zijn. En steeds zal men ook hierbij – zo kenmerkend voor elke breuklijn – de ‘transfers’ kunnen aanwijzen van de ene naar gene zijde.
Oneindige mogelijkheden dus tot (politieke) recuperatie van het breuklijnmotief, en dit met verzekerd succes: hoe duidelijker de breuklijn gesteld en vermarkt kan worden, hoe sterker de invulling van de individuele basisbehoeften tot vinden van zekerheid en identiteit, hoe groter de kans tot slagen en mobilisatie van de massa.
Terwijl de historische breuklijnen in vroegere tijden de basis voor ideologieën waren, verworden ze in meer cynische tijden tot niet meer dan middel om identitair denken op te baseren. Een politieke klasse inducerend zonder betrokkenheid: zolang de breuklijn maar wervend is…