over identiteit

Over de kracht maar tevens de onmacht van het identitaire denken
Over het wij en het zij als de valse hoopgevers in een onvatbare wereld

lees als PDF

Individuele en groepsidentiteit
In het dagelijkse taalgebruik valt dé identiteit in strikte betekenis samen met de individuele persoon, men spreekt dan ook over iemands identiteit in termen van die persoonskenmerken die iemand éénduidig bepalen, elkeen heeft zijn unieke identiteitskaart. De individuele identiteit is vervolgens een opstap naar een gezamenlijke identiteit: al die individuen die voldoen aan een aantal vooropgestelde gemeenschappelijke kenmerken worden als een identificeerbare groep aanzien, de groep wordt op deze wijze zelf ook een identiteit.
De verbindende criteria kunnen hun oorsprong vinden in uiteenlopende kenmerken: een gezamenlijke origine, een herkenbaarheid met betrekking tot geografie, taal, cultuur, huidskleur, sociale status, etc… Steeds vertrekkend van één of meerdere breuklijnen die een scheiding maken tussen diegenen die wél tot de (gezamenlijke) identiteit horen en de anderen die niet voldoen aan de criteria en dus buiten de groepsidentiteit vallen.

Actief en passief
Het bepalen van de criteria, de verbindende kenmerken als grondslag voor de identiteit, kunnen zowel op een passieve als een actieve wijze tot stand komen. Passief indien van buitenaf aan een groep een aantal gemeenschappelijke karakteristieken worden toegekend, actief wanneer een groep zijn eigen identiteit wenst te accentueren door focus te leggen op een aantal gezamenlijke kenmerken. Een actieve identiteit wenst zich zodoende bewust en expliciet naar de anderen toe te uiten, een passieve identiteit wordt verondersteld de indeling te ondergaan die werd opgelegd.

De keuze van criteria en meervoudige identiteiten
De verzameling verbindende kenmerken kunnen enerzijds opgesteld worden op basis van inclusie criteria (aan welke kenmerken dient men te beantwoorden om tot de identiteit te horen), anderzijds kunnen ze tot stand komen op basis van exclusie criteria (welke kenmerken zorgen ervoor dat men niet tot de identiteit behoort), de combinatie van beide is meestal van toepassing waarbij de exclusie criteria dikwijls als extra accentuering van inclusie criteria worden gebruikt.
Op welke basis worden echter de keuzes van criteria gemaakt: in de limiet zijn er – dit doordat breuklijnen kunnen getrokken worden tot op interpersoonlijk niveau – combinatorisch een oneindig aantal mogelijkheden. Waarom worden bepaalde kenmerken echter wel als basis genomen terwijl andere niet? De twee sleutelwoorden die hier van toepassing zijn geven inzicht in het ongecompliceerde van het achterliggende proces: ‘eenvoud’ en ‘relevantie’.
Een identiteit is dan ook slechts effectief indien op eenvoudige, basale parameters gefundeerd: het identificatieproces is een voornamelijk emotioneel gebeuren dat voorbij gaat aan elke vorm van complexiteit. Anderzijds, doordat elk individu in zijn eigen specifieke tijdsgebonden context existeert, dienen de gekozen criteria relevant te zijn aan deze context, relevantie die wordt afgewogen aan de mate van succesvol bewerkstelligen van de verscheidenheid aan doelen waarvoor de identiteit in het leven werd geroepen. Doordat een context echter nooit eenduidig is, wordt de enige vorm van (inherente) complexiteit ingevoerd door het individu te laten conformeren aan meerdere identiteiten. Enige rek is weliswaar mogelijk, maar het aantal identiteiten waar een individu zich uiteindelijk kan naar richten, is uiteindelijk beperkt.

Het ‘ik’ of het ‘wij’, het ‘zij’ en het ‘samen’
Niettegenstaande het veralgemeende identiteitsbegrip (de groepsidentiteit) over meer dan de individuele persoon gaat, is de identiteit op zich eenduidig en vergelijkbaar met de identiteit van het individu. We kunnen daardoor – om dit te duiden – in onze taal gebruik maken van het (weliswaar veralgemeende) ‘ik’. Omwille van deze ambiguïteit wordt het identitaire groeps ‘ik’ in het dagelijks taalgebruik vervangen door het ‘wij’: het deelachtig zijn aan een groep en hierdoor opgeroepe gevoel van krachtdadigheid wordt hierdoor beter uitgedrukt dan het – strikt genomen correctere – ‘ik’.
Hoe we ons verhouden tot de identiteit doen we vervolgens met de andere in onze taal voorhanden zijnde persoonlijke voornaamwoorden.
Wat zich tot de eigen identiteit conformeert, behoort dus tot het ‘ik’ of het zelfverklaarde ‘wij’, allen die anders zijn en er niet toe horen noemen we daarom het ‘zij’. Vanuit het perspectief van een identiteit is het ‘ik/wij’ éénduidig, het ‘hij/zij’ meervoudig. Indien we ons over de begrenzingen heen van de eigen (het ‘ik’) of de andere (het ‘zij’) identiteit wensen uit te drukken, spreken we over het ‘samen’. Het ‘samen’ dient daarom begrepen te worden als een inclusief begrip dat het ‘ik’ (of het identitaire ‘wij’) en het ‘zij’ verenigt. Merk op: er wordt zelden gebruik gemaakt van de ‘jij’ vorm, trouwens vanuit het identitaire denken als wollig en (te) inlevend beschouwd.

Stellingname en waardeoordelen
Is het onvermijdelijke proces van identificatie uiteindelijk een positief of een negatief gebeuren? En meer, zijn er misschien ‘goede’ en ‘slechte’ identiteiten en bijhorende identificaties?
Positief lijkt alvast dat elke identificatie leidt tot een vorm van verbondenheid, althans onderling tussen de personen horende bij één identiteit. Een verbondenheid die er anders niet zou zijn en het individu vleugels geeft: samen is er meer mogelijk dan één persoon alleen ooit vermag, de identiteit maakt letterlijk sterker.
In deze verbondenheid schuilt echter een paradox: hoe sterker de verbondenheid, hoe ondoordringbaarder het bastion wordt voor hen die niet aan de kenmerken voldoen en dus buiten de hoge, afbakenende muren (waar trouwens geen toegangspoorten in voorzien worden) staan. De identiteit krijgt hierdoor dan ook een narcistisch, incestueus trekje: lokale verbondenheid die genoegen neemt met zichzelf en globale verbondenheid uitsluit maar – enigszins cynisch –  toch positief ingeschat wordt:  ‘beter enige verbondenheid dan gene’.
Op deze wijze kan de aanname van een identiteit dan ook beschouwd worden als een middel tot verdediging en dus een ‘bewapening’: het eigen fort dient onneembaar te worden uitgebouwd om maximaal van de interne voordelen te kunnen genieten en dit zonder mogelijke verstoring van wat dan ook daarbuiten. Buiten de muren toeft dan ook de vijand die kost wat kost daar dient te blijven en en passant ook het dankbare antwoord is op elke schuldvraag. Naast de intern versterkende kracht waar de identiteit aan de oorzaak lag, wordt ze op deze wijze dus bron van conflict: elke hoogoplopende discussie, elke strijd, elke oorlog is te herleiden tot het uitspelen van identiteiten die tegenover elkaar in stelling worden gebracht.
Maar in elke confrontatie met het andere, het vreemde schuilt ook een opportuniteit. Op voorwaarde nog enige vorm van wederzijdse beïnvloeding mogelijk is en de opgetrokken muren nog enigszins doorlatend zijn, kan de toegelaten diversiteit een bron zijn tot verrijking. Het andere leidt dan tot vruchtbaarheid en is de noodzakelijke voorwaarde tot het ontstaan van een voedingsbodem waaruit dan weer een nieuwe, jongere, uitgebreidere, maar vooral sterkere identiteit kan ontstaan. Dialoog kan opbouwend zijn op voorwaarde ze dialectisch van aard is: 2 opposanten die er uiteindelijk sterker uitkomen en die de vernieuwde sterkte niet gebruiken in de stellingname tegen de andere maar deze intern verder benutten.
Elke gemeenschap in zijn eigen tijdsgewricht dient dan ook de keuze te maken wat overheerst: de positieve of de negatieve uitkomst die bekomen kan worden uit het blijkbaar onvermijdbare identificatie proces en dit door de mate van toegelaten permeabiliteit in de wanden van zijn identiteit.

Over het diepere waarom
De zoektocht naar, en de onweerstaanbare wens deelachtig te zijn aan een duidelijk omschreven (groeps)identiteit is een individueel maar ook universeel, diepmenselijk gegeven. Via de aangemeten identiteit vindt het individu de nodige zekerheid en houvast, eventueel zin en betekenis. Het individu voelt zich geborgen in de identiteit. De cesuur die de identiteit oproept tussen het herkenbare eigene en de onvatbare, oneindige buitenwereld geeft het vermoeden van een structuur die het individu een gevoel van controle geeft. De identiteit fungeert op deze wijze als een immuniteitssysteem: het veilige oord waar men zich in terug kan trekken, gevrijwaard van vreemde, bedreigende invloeden daar buiten.
Het identiteitsstreven komt in essentie dus voort uit een zwakte: het individu met een gevoel van onbehagen, een onbestemd aanvoelen van ontwortelling en vervreemding dat op zoek is naar zijn plaats in de wereld, de singulariteit waarvan de top geen vermoeden van de basis meer heeft. De identiteit tracht vervolgens een invulling te geven aan dit gemis, het kader te scheppen waar men zich in kan situeren, en dit middels het aanreiken van een aantal eenvoudige categorieën: je behoort namelijk al dan niet tot de identiteit op basis van je primaire kenmerken. Maar uiteindelijk hoor je steeds toe tot iets. Elke uitgeslotene is ook ergens een ingeslotene al was het maar op de plaats van de andere uitgeslotenen. En elk zulke plaats is hoe dan ook een plaats die zicht geeft op een er-bij-horen en houdt de belofte in van een existentiële verzekering.
Maar het wrange, onderliggende gevoel iets te missen, blijft… De onzekerheid is weliswaar ingedijkt maar het gevoel dat enkel aan de oppervlakte alles in zijn juiste plooi lijkt te vallen, kan niet weg ge-identificeerd worden.

Andere remedies?
Moet het waarom, de diepere oorzaak niet zelf op een of andere wijze gecounterd worden? Is er geen ander antwoord te vinden voor het naar veiligheid en zekerheid smachtende individu dat zich in al zijn geworpenheid thuisloos voelt en zich daardoor al te graag overgeeft aan de oplossing voorwendende identiteit met al zijn negatieve bijwerkingen? Indien zo, welke andere remedies – naast het alom tegenwoordige identificatie proces – zijn voorhanden om met deze zwakte om te gaan? Is het zich identificeren met het omringende herkenbare en het zichzelf vervolgens wijs maken greep te hebben op de wereld niet wat al té simplistisch en té doorzichtig? Wie maakt hier wie wat wijs? Heeft dit alles trouwens de mensheid al één stap verder gebracht?
Misschien kan de bestaande remedie nog best omschreven worden als het aangaan van een lokale verbondenheid (die met de identiteit) die zelf een projectie is en dus plaatsvervangend staat voor de onmogelijkheid tot bredere verbondenheid. Het onvatbare omvattende dat vervangen wordt door het surrogaat van het vatbare nabije. Als substituut voor het onvermogen de eigen plaats te vinden in een oneindig ervaren wereld wordt het bevattende van de dichtbije identiteit hierbij omarmt.
De echte remedie zou dan ook moeten schuilen in het bewerkstelligen van een diepere, omvattendere verbondenheid die weerstand kan bieden aan de middelpuntzoekende identitaire krachten waar het surrogaat aan onderhevig is. Het natuurlijke terugvallen op het zelf dus completeren met een – al dan niet geforceerde – vlucht naar buiten en dit door het openstellen van de muren en de hierdoor toegelaten mogelijkheid tot bevruchting met het diverse.
Maar evolutie wordt zelden bekomen door revolutie: het openstellende centrifugale dient hierbij dan ook in balans gehouden te worden met het implosieve centripetale

Plaats een reactie