Marcus Du Sautoy is hoogleraar wiskunde aan de universiteit van Oxford, opvolger van Richard Dawkins in de Oxford leerstoel ‘Professor of Public Understanding of Science’. Maar wat een verschil met deze laatste (ik aanzie Dawkins weliswaar als een briljant wetenschapper, maar als een wat filosofische nitwit).
In ‘Wat we niet kunnen weten’ onderzoekt Du Sautoy de grenzen, de ‘randen’ van onze kennis: van kwantummechanica tot kosmologie, beschouwingen over tijd en bewustzijn, over filosofie en psychologie tot wiskunde…
Je wel even door de eerste 100 pagina’s worstelen (ik had meermaals de neiging het boek aan de kant te leggen) maar volhouden! Indrukwekkend en zo inspirerend alles wat erna de wat gemiste start komt.
Auteur: geerthellebautblog
Lachman, Gary
Grappig, Lachman was tot eind jaren ’70 de basgitarist van de groep Blondie.
Met ‘A Secret History of Consciousness’ heeft hij een indrukwekkend en inspirerend boek geschreven over de geschiedenis van het bewustzijn, een onderwerp dat me toch wel wat na aan het hart ligt: het idee van evoluerend bewustzijn passeert dan ook meermaals in mijn eigen teksten.
Ik ben steeds wel wat bang dat we al snel de occulte, esoterische toer op gaan met werken als dit… Maar dit boek is zó objectief, zó erudiet: één van de toppers voor mezelf.
mijn reuzen
Ik denk dat het Isaac Newton was die ooit zei dat je maar ver kan kijken als je het geluk hebt je gedragen te weten op de schouders van reuzen die je voorgingen.
Iedereen is dan ook schatplichtig aan anderen: zij die je de weg probeerden te wijzen en het pad voor je effenden, bakens hebben verzet, nieuwe perspectieven boden en jezelf al dan niet een plaats toezegden op die hoge, uitzichtgevende positie van hun schouders…
Een mens vergaart zijn voorbeelden, de ene al belangrijker dan de andere, van sommigen één enkel idee, van anderen een gans oeuvre als leidraad of springplank.
Hieronder probeer ik kort enkele voor mij belangrijke auteurs op te sommen samen met de boeken die er voor mij toe doen. Een lijst steeds in beweging (en waardoor ik dan ook geen moeite doe ze alfabetisch te houden). Volgorde is dan ook volledig arbitrair en houdt op zich geen waardering in, zelfs geen chronologie.
Du Sautoy, Marcus
Marcus Du Sautoy is hoogleraar wiskunde aan de universiteit van Oxford, opvolger van Richard Dawkins in de Oxford leerstoel ‘Professor of Public Understanding of Science’. Maar wat een verschil met deze laatste (ik aanzie Dawkins weliswaar als een briljant wetenschapper, maar als een wat filosofische nitwit).
In ‘Wat we niet kunnen weten’ onderzoekt Du Sautoy de grenzen, de ‘randen’ van onze kennis: van kwantummechanica tot kosmologie, beschouwingen over tijd en bewustzijn, over filosofie en psychologie tot wiskunde…
Je wel even door de eerste 100 pagina’s worstelen (ik had meermaals de neiging het boek aan de kant te leggen) maar volhouden! Indrukwekkend en zo inspirerend alles wat erna de wat gemiste start komt.
Lachman, Gary
Grappig, Lachman was tot eind jaren ’70 de basgitarist van de groep Blondie.
Met ‘A Secret History of Consciousness’ heeft hij een indrukwekkend en inspirerend boek geschreven over de geschiedenis van het bewustzijn, een onderwerp dat me toch wel wat na aan het hart ligt: het idee van evoluerend bewustzijn passeert dan ook meermaals in mijn eigen teksten.
Ik ben steeds wel wat bang dat we al snel de occulte, esoterische toer op gaan met werken als dit… Maar dit boek is zó objectief, zó erudiet: één van de toppers voor mezelf.
Sloterdijk, Peter
Sloterdijk is voor mij dé filosoof van onze era. Net zoals we nu met ontzag over Immanuel Kant spreken (Kritik der reinen Vernunft, 1781), zal men – althans m.i. – binnen 200 jaar op de zelfde wijze over Peter Sloterdijk spreken. En net zoals we ook vandaag met enige schroom maar met eerbied over Nietzsche spreken, zullen we binnen pakweg 100 jaar over deze nieuwe filosoof met de hamer spreken. Sloterdijk schreef zijn belangrijke werk in navolging van Kant (Kritik der zynischen Vernunft, 1983) dan ook net 200 jaar nadat Kant het refererende werk publiceerde.
Sloterdijk lezen is een opgave, enkel mogelijk met volle aandacht, soms wel eens wat moeilijk. Maar wat een rijkdom aan ideeën, en w-a-t e-e-n r-ij-k-e t-a-a-l, dit zelfs in Nederlandse vertaling.
Werken die ik van hem heb gelezen – stuk voor stuk indrukwekkend – zijn in volgorde ik ze heb gelezen ‘Eurotaoïsme’, het reeds vermelde ‘Kritiek van de cynische rede’, ‘Mediatijd’, ‘Het kristalpaleis’, de ‘Sferen’ trilogie, ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’, en het voor mezelf misschien wel meest aansprekende ‘Je moet je leven veranderen’. Terzijde, zijn roman ‘Het Schelling project’ vind ik maar niets, hier en daar weliswaar een briljante zinssnede, maar wat mij betreft in zijn geheel een Sloterdijk onwaardig, en dus neen, geen opstap naar het ‘moeilijkere’ werk van Sloterdijk.
Even vermelding maken van volgende interessante link naar een korte bespreking van de ‘Kritiek’ die ik onlangs vond: https://emilievandaele.files.wordpress.com/2008/03/peter-sloterdijks-kritiek-van-de-cynische-rede.doc met dank aan Emilie Van Daele.
Wittgenstein, Ludwig
Vele jaren terug ambitieus de uitdaging aangegaan en zijn ‘Tractatus logico-philosophicus’ ter hand genomen om het echter na een korte, maar vooral vruchteloze poging na lezing van de eerste pagina’s al snel – zoals waarschijnlijk zovelen anderen me al voor deden – weer weg te leggen…
Maar weer vele jaren later – beroepsmatig had ik ondertussen heel wat dimensionele modelleringen á la Ralph Kimball achter de rug – het opnieuw vastgenomen en wonder boven wonder – mits de nodige kennis basis logica die ik nog wel vanuit mijn opleiding beheerste – las het oh zo gedoemde werk plots als een trein. Het boek bleek niets anders dan een syllabus te zijn voor de informatica datawarehouse gewijze dimensionele modellerings techniek…
Om één en ander te duiden, zal ik over dit laatste nog wel eens een tekst (onder Beschouwingen) schrijven. Maar dit later.
Prigogine, Ilya
‘Orde uit chaos’, één van de boeken die me hebben gevormd (Prigogine schreef het boek samen met Isabelle Stengers). Wetenschappen (en ik bedoel hier bèta wetenschappen) krijgen voor mij pas hun zin als ze voorbij het puur mathematische en het door velen ermee geassocieerde deterministische, handelen. Orde uit chaos is een pleidooi voor dit opentrekken van de wetenschappen voorbij de grenzen waar de meesten het willen in opsluiten. Iets wat me dan ook steeds opviel, is dat je zelden de omgekeerde beweging ziet: bètawetenschappers kunnen wel tegelijkertijd filosoof of alfa- en gammawetenschapper zijn, maar het tegengestelde is uitzonderlijk. Exacte wetenschappers zijn m.i. dan ook – indien ze dit besef delen – completer in hun denken dan niet-exacte-wetenschappers…
Zajonc, Arthur
Arthur Zajonc is een voormalige professor natuurkunde. In zijn boek ‘Het licht zien’ behandelt hij het fenomeen ‘licht’ enerzijds wetenschappelijk (bv. zelden een duidelijkere uitleg over de regenboog gelezen), anderzijds maakt hij ermee de brug naar wat we ‘inzicht’ kunnen noemen. Veel wetenschapsfilosofie en geschiedenis dat steeds terug komt in dit soort boeken, maar toch de moeite om gelezen te worden. Telkens toch weer enkele nieuwe, voordien nog niet bewuste, ideeën die Zajonc opvoert.
Heidegger, Martin
Als twintiger dweepte ik een beetje met de Duitse filosofen vanaf begin 20ste eeuw. De 20ste eeuw is gekenmerkt door ideeën van vooral Duitse filosofen. Ik denk hierbij aan onder andere Heidegger, Wittgenstein, ook aan alle filosofen van de Frankfurter Schule als Adorno, Benjamin, etc… ook de latere Habermas, Sloterdijk, Safranski, … Ik heb het steeds wat raar gevonden dat er op het zelfde moment in de geschiedenis in de verste verte geen gelijkaardige intellectuele stroming in de Angelsaksische wereld te bespeuren was. Helemaal merkwaardig wordt het dan ook nog dat net deze zo intellectuele omgeving in staat was tot één van de grootste uitwassen van de menselijke geschiedenis. En ook Heidegger zou hier volgens de geschiedschrijving wel wat boter op zijn hoofd hebben… Kan enkel betekenen dat uitersten steeds gepaard voorkomen: geen extreme hoogtes zonder minstens even extreme laagtes.
Sein und Zeit heb ik bij gebrek aan voldoende kennis Duitse taal uit noodzaak in de Nederlandse vertaling gelezen. Ik hou wel van het spelen met woorden, de constructies die er worden opgezet en die voorbij de zuivere betekenis van een woord een sfeer proberen te schetsen om iets onuitspreekbaar toch te proberen te benoemen. Ik ben dan ook steeds geïntegreerd geweest door de kracht van taal, de mogelijkheden die ze biedt buiten zijn eigen beperkingen om, het buiten zijn kader kunnen treden gewoon door het inventief omgaan met connoterende betekenissen.
Hawking, Stephen
Ik vermeld Hawking doordat ik toch wel veel respect voor de man betoon. Doe het maar na, met alle beperkingen, uitgroeien tot één van de meest gewaardeerde wetenschappers van onze tijd met enkele baanbrekende theorieën achter je naam. Anderzijds moest ik jammer genoeg niet veel hebben van zijn meest gekende wetenschap populariserend boek ‘A Brief History of Time’. Na het gelezen te hebben eind jaren tachtig had ik er maar 1 woord voor: puberaal. Mijn excuses, misschien moet ik het na al die jaren eens opnieuw lezen. Het boek ‘The Nature of Space and Time’, een debat tussen Hawking en Roger Penrose, mocht dan weer wat meer populariserend zijn. Tja, zo is het natuurlijk nooit goed…
Randall, Lisa
Een briljante theoretische natuurkundige verbonden aan Princeton, Harvard, MIT, die ook enkele meer populariserende werken over de stand van zaken in de natuurkunde heeft geschreven. ‘Warped Passages: Unraveling the Mysteries of the Universe’s Hidden Dimension’ , in het Nederlands ‘De verborgen dimensies van ons heelal’ gaf een – weliswaar op dat moment – duidelijke status van waar de natuurkunde staat met betrekking tot deeltjes fysica, quantum-mechanica. Het boek is zonder meer fascinerend maar gaf me ondanks dit, na lezing, een eerder wrang gevoel… Alsof we opnieuw in een patstelling zijn beland, hedendaagse natuurkundigen die – net als in begin van de 20ste eeuw -nog wat in de marge morrelen om de gangbare theorieën sluitender te maken, allerlei nieuwe concepten bedenken die verder bouwen op het bestaande (ik denk aan de zogenaamde ‘bramen’), maar waar geen grote nieuwe totaal ideeën zullen uit ontspruiten. Een nieuwe ‘Einstein’ die het even allemaal terug op zijn kop zet maar een doorbraak forceert, laat naar mijn gevoel duidelijk nog even op zich wachten. De nood aan een nieuwe paradigma shift die alles opnieuw in een ander daglicht stelt, is m.i. groot.
Lauwaert, Dirk
Elk artikel, elke zin, elk woord dat Dirk Lauwaert schreef, opende een venster op een andere wereld. Wat heb ik genoten van zijn artikels in de tijdschriften Knack en Kunst en Cultuur, ook zijn boek ‘Dromen van een expeditie’. Dirk Lauwaert was meer dan gewoonweg een begenadigd kunstcriticus, schrijver, journalist, docent. Enkele zinnen uit een artikel over film, mode, fotografie, schilderkunst of wat dan ook waren voldoende en gaven een inkijk in een wereld er-achter, het equivalente van een volledig boek. Wat een diepte, wat een veelheid aan inhoud oproepend. Chapeau. Een reus waar het op de schouder aangenaam toeven was.
Campbell, Joseph
Het boek ‘The Power of Myth’, in het Nederlands ‘Mythen & Bewustzijn’, opgevat en neergeschreven als een gesprek tussen mytholoog Campbell en journalist Bill Moyers (niet voor niets wordt hier de Socratische ‘dialoog’ methode gebruikt om tot inzicht te komen). 25 jaar geleden één van de eye-openers voor mezelf. Over de betekenis, het belang, het verbindende van niet zomaar gewoonweg verhalen verteld over culturen heen. Ik heb het toen enkele keren gelezen, iets wat ik normaal nooit doe.
Steiner, George
Er zijn wel wat Steiners onder de schrijvers…
Niet allemaal kunnen ze me echter evenveel bekoren. Rudolf Steiner bijvoorbeeld (‘Filosofie van de vrijheid’ en nog 37 duizend andere publicaties over alle mogelijke onderwerpen), heeft me nooit geraakt, misschien dat ik hem nooit echt voldoende begreep, misschien dat Steiners antroposofie me allemaal wat te esoterisch overkomt, esoterie dat sowieso een pejoratieve bijklank heeft voor me.
Geef mij dan maar die andere Steiner, George Steiner. Via hem leerde ik dat het soms zinvoller is ‘over’ iets te lezen dan het ding zelf te lezen. Het is dikwijls in de gedachten en beschouwingen van anderen over de geschriften van de oorspronkelijke auteur, dat je de meeste informatie vind. Op zijn minst is het versterkend, en is er een wisselwerking die wordt opgeroepen waardoor het oorspronkelijke uiteindelijk een diepere betekenis krijgt. In zijn ‘Monografieën’ schrijft George Steiner op deze wijze over Heidegger. Eerst de Monografieën lezen, dan het echte werk van Heidegger proberen te vatten, en dan nog eens de Monografieën.
Gros, Frédéric
Op dezelfde wijze wat de Monografieën van George Steiner voor me betekende, is er het leuke boekje van Frédéric Gros: ‘Wandelen, een filosofische gids’. Het is een boekje ook over ‘over’, in dit geval over grote filosofen uit de geschiedenis (Nietzsche, Rimbaud, Rousseau, Kant, …) voor wie ‘wandelen’ veel meer betekende dan zich van punt A naar punt B te begeven. Zelf ben ik ook wandelaar. Ik ga niet zover als de uitspraak van Nietzsche die beweerde dat elke gedachte niet ontstaan tijdens het wandelen geen recht op bestaan heeft, toch heeft ook voor mezelf de acte van het ‘wandelen’ op zich een betekenis voorbij het louter ’zich verplaatsen’. Een glimp van begrip hiervan, vond ik in dit zeer aangenaam te lezen boekje van Gros.
Andere te smaden wandelfilosofie lectuur vond ik bij Robert Macfarlane, onder andere in zijn ‘The Old Ways: A Journey on Foot’.
Bohm, David
De ideeën en boeken van David Bohm hebben me steeds sterk aangetrokken. Ik moet ze dringend eens herlezen want o.a. ‘Science, Order & Creativity’ is dit ondertussen reeds van enkele decennia geleden. Opnieuw een fysicus die vanuit zijn theoretische achtergrond de brug slaat naar waar de meeste wetenschappers geen brug wensen te maken en waardoor deze auteurs door meer orthodoxe wetenschappers wat scheef bekeken worden. Dikwijls net de reden om hen beter te volgen, ook natuurlijk omdat zulke personen meestal meer te vertellen hebben dan hun – mijn excuses voor de platitude – vakidiote collega’s. Vooral Bohms ’Wholeness and the Implicate Order’ staat op mijn (her)leeslijstje.
Lyotard, Jean-Francois
Als kind opgroeiend in de ‘modernistische’ jaren ’60 en ‘70’ met hun kenmerkend optimistisch vooruitgangsdenken en ‘the sky is the limit’ attitude (herinner, in het jaar 2000 gingen we ons allemaal met vliegende auto’s verplaatsen…), wat ben ik er toen toch ook zó in meegegaan. Maar de wereld verbrokkelde stilaan (t.t.z. al van lang ervoor maar voor mijn generatie het duidelijkst merkbaar vanaf de jaren ’80), werd zo veel complexer dat de eventuele samenhang niet meer te vatten was door het individu en greep enkel nog bekomen kon worden via het proces van deconstructie (Derrida): de toestand van postmodernisme zo beknopt maar treffend beschreven in ‘Het postmoderne weten’ van Lyotard. Wat was dit hèt middel om al wie was blijven steken in dat jaren ‘70 optimisme met een lichte cynische hoon op zijn plaats te wijzen…
Capra, Fritjof
‘The Tao of Physics’ heb ik lang geleden kapot gelezen. Weer ‘not done’ voor elke zichzelf respecterende analytische wetenschapper, maar oh zo grenzen verleggend en synthetiserend. Soms denk ik wel eens dat het als student natuurkunde aan te raden valt eerst dit soort werken te lezen (o.a. ook Gary Zukav’s ‘The Dancing Wu Li Masters’) omwille van de treffende verwoordingen van de eerder abstracte fysische begrippen in begrijpelijke taal om zich vervolgens in het ‘echte’ fysisch, mathematische te laten onderdompelen. Komt enkel maar ten goede aan een vorm van begrip die anders dikwijls wat achterwege zou blijven en van waaruit vervolgens dan weer grotere stappen vooruit in het abstracte kunnen gemaakt worden. De link naar de oosterse filosofieën in dit type boeken was natuurlijk wat de tijdsgeest maar – wat mijzelf betreft – niets mis mee om verbanden te zien en associaties te leggen: hoe breder het perspectief, hoe vruchtbaarder ook het particuliere.
More, Thomas
Zijn ‘Utopia‘, ondertussen reeds meer dan 500 jaar geleden geschreven! En als Antwerpenaar zijnde, toch wel wat fier dat de begin passage uit het boek – de reiziger die hem over het merkwaardige Utopia vertelt – zich afspeelt in de schaduw van de prachtige Onze-Lieve-Vrouwekathedraal…
Of het nu vandaag is (anti-globalistische beweging) of 500 jaar geleden (Thomas More) of nog veel langer (Plato’s Politeia), dromen van een andere en vooral betere wereld is van alle tijden. Uiteindelijk toch ook weer een teken dat de mens – in uitbreiding de werkelijkheid – onderhevig is aan een ingebouwd ‘streven’ en reflex tot ‘verbetering’. Dat pogingen tot verwezenlijkingen van utopieën uiteindelijk uitmonden in dystopieën (Orwell, ‘1984‘ en Huxley, ‘Brave new World’) en de gekende historische failures, doet hier nauwelijks ter zake. Essentieel blijft het denken in termen van het plaatsloze (utopie) en het tijdsloze (uchronie): het oorsprongsdenken aan de basis van elk bewustzijns vervollediging (u -of beter euconsiousness).
Piketty, Thomas
Ik heb me met het nodige doorzettingsvermogen door zijn dikwijls met veel statistieken en cijfers gelardeerd werk ‘Capital in the Twenty-First Century‘ moeten worstelen… maar wel in het volle besef dat ik één van de belangrijkste (economische) werken van dit era was aan ’t lezen. Voor mijzelf – doordat ik natuurlijk in een ander tijdsgewricht ben geboren – een werk dat me meer aansprak en me belangrijker overkomt dan ‘Das Kapital‘ (Karl Marx) ooit (ttz. dit laatste wat betreft de strikt economische betekenis van het werk, zeker niet wat betreft de filosofische betekenis!).
Ook hier weer een voorbeeld van utopisch, strevend denken met een finaal positieve ingesteldheid: tegen de gangbare neoliberale tendens in, gelooft Piketty in de mogelijkheden van een – mits bijsturing – regulerend kapitalisme (o.a. een progressieve supra-internationale belasting op vermogen) om de desastreuze gevolgen van de 1ste wet van het kapitalisme te counteren (r > g : rendement op kapitaal is steeds groter dan de eventueel tgv economische groei vermeerderde inkomsten uit arbeid) waardoor de concentratie van kapitaal een steeds kleiner wordende groep verrijkt.
Misschien niet echt het schoolvoorbeeld van utopisch denken (want er wordt hier getracht een bestaand systeem van binnenuit aan te passen, aliënatie is dus veraf), maar wel aanpassingen die op zichzelf een utopisch karakter hebben.
Godsdienst en religie
Over godsdienst, religie en het vergeten begrip coniunctio
Een pleidooi voor de etymologie van Lactantius
strategie – tactiek – operationeel
Voornamelijk de woorden tactiek en strategie worden weleens uitwisselbaar door elkaar gebruikt. Onderscheid kan m.i. gemaakt worden door gebruik te maken van de juiste ‘vraagwoorden’.
Om volledig(er) te zijn, naast de begrippen strategie, tactiek en operationeel hebben ook de begrippen missie en visie hun kenmerkend vraagwoord.
Missie
Dat wat beantwoord wordt op de vraag met het vraagwoord ‘waarom’.
Waarom gaan we iets doen?
Het antwoord op de missie vraag vertrekt uit een bestaande toestand en dus uit het verleden.
Visie
Dat wat beantwoord wordt op de vraag met het vraagwoord ‘waarvoor’.
Waarvoor gaan we?
Het antwoord op de visie vraag is toekomstgericht.
Strategie
Dat wat beantwoord wordt op de vraag met het vraagwoord ‘wat’.
Wat gaan we doen?
Tactiek
In het antwoord op de strategische vraag, dat wat beantwoord wordt in de vraag met het vraagwoord ‘hoe’.
Hoe gaan we dit doen?
Operationeel
In het antwoord op de tactische vraag, dat wat beantwoord wordt in de vragen met de andere vraagwoorden.
Wie gaan het doen?
Wanneer gaan we het doen?
Waar en waarmee gaan we het doen?
…
godsdienst – religie
Godsdienst en religie worden in de dagelijkse taal dikwijls uitwisselbaar gebruikt. In essentie zijn het echter 2 verschillende begrippen. Godsdienst duidt – what’s in a name – op de dienst-aan-god, ttz. het beantwoorden aan het geheel van regels en geboden voorgeschreven door een specifieke leer. Religie daarentegen is oorspronkelijker, ligt aan de basis van een eventuele godsdienst en duidt op het verbondene.
Onder Beschouwingen vind je een uitgebreide tekst rond deze begrippen.
ironie – sarcasme – cynisme
Ironie, sarcasme en cynisme zijn vormen van humor die vertrekken uit ‘omkeringen’ van de waarheid. In hun zuivere vorm kunnen ze onderscheiden worden op basis van de mate van betrokkenheid van de verschillende bij de uitspraak deelnemende personen:
- ironie: geen personen betrokken
- sarcasme: enkel de ander(e) perso(o)n(en) betrokken
- cynisme: naast de andere(n), is ook het zelf (de persoon die de uitspraak doet) betrokken
Voorbeeld uitspraak ironie:
‘Wat een mooi weer vandaag!’ (terwijl het net aan ’t regenen is)
Ironie is afstandelijk, er zijn geen personen betrokken, de uitspraak zegt niets over jezelf of over een ander, is niet-kwetsend noch voor een ander, noch over jezelf, maar zegt louter iets over een situatie via een omkering of overdrijving.
Voorbeeld uitspraak sarcasme:
‘Dat heb je weer goed gedaan!’ (terwijl het net niet goed gedaan is…)
Sarcasme betrekt een ander persoon (of personen) en de uitspraak kan kwetsend zijn voor deze andere(n). De persoon die de uitspraak doet blijft echter buiten beeld.
Voorbeeld uitspraak cynisme:
‘Studeer maar flink, het levert je later zeker een plaats vooraan in de rij werklozen op!’
Cynisme is niet alleen kwetsend voor de ander maar is een uitspraak die tegelijkertijd iets zegt over wie de uitspraak doet, over zijn wereldbeeld en vooral de verbittering die hij uitspreekt. Beide partijen zijn dus betrokken in de uitspraak. Cynisme is hierbij de uiting van een negatieve houding tov de werkelijkheid, en zowel het zelf als de andere maakt hier deel van uit.
links – rechts
De begrippen links en rechts worden te pas en te onpas gebruikt, dikwijls zonder veel nuance en met enig doel een polariserend effect te hebben, tegenstellingen verkopen namelijk goed. Duiding bij wat juist bedoeld wordt, blijft meestal achterwege en ieder vult voor zichzelf dan maar de betekenis in. Een sluitende definitie opstellen van de begrippen links – rechts is waarschijnlijk onmogelijk – trouwens deels afhankelijk van context – maar verduidelijken wat juist bedoeld wordt, is dikwijls toch aangewezen.
Doordat ook ik ze wel eens gebruik in mijn teksten onder Beschouwingen geef ik hier mijn interpretatie en dit aan de hand van het begrip ‘identiteit’ en de wij-zij tegenstelling.
Mijn verdere uitdieping van het begrip identiteit vind je onder Beschouwingen.
links
In de wij-zij tegenstelling staat het samen centraal.
Het ‘samen’ is hierbij een verbond van de eigen identiteit (het ‘ik’ en zijn veralgemeende ‘wij’) en dat wat niet tot deze identiteit hoort (het ‘zij’). Het wij en het zij worden weliswaar erkend als afzonderlijke entiteiten met uitgesproken kenmerken en eventuele tegenstellingen, maar deze geven op zich geen directe aanleiding tot conflict.
Links is hierdoor inclusief (‘open’) en poneert dat maatschappelijke problemen gezamenlijk (samen) opgelost dienen te worden. De tegenstelling ‘wij – zij’ wordt niet louter als contraproductief aanzien maar genereert nieuwe mogelijkheden: openheid creëert in deze visie kansen voor dialoog en wederzijdse bevruchting.
Doordat er uiteindelijk dient samengeleefd te worden met het ‘zij’, worden ook de buiten het ‘ik/wij’ te categoriseren anderen betrokken in de zoektocht naar oplossingen. In dit proces wordt het ‘ik/wij’ en het ‘zij’ als gelijkwaardig beschouwd en worden er oplossingen gezocht voor het ‘samen’.
rechts
In de wij-zij tegenstelling neemt het wij de primaire plaats in en wordt wat niet tot de eigen identiteit hoort, niet als gelijkwaardig beschouwd met het eigen ‘ik’ of veralgemeende ‘wij’.
Rechts is hierdoor exclusief (‘gesloten’), maatschappelijke oplossingen worden gezocht voornamelijk ten gunste van dat wat beantwoord aan de eigen identiteit, en eventueel – indien noodzakelijk – ten koste van het ‘zij’. De tegenstelling wij-zij is niet enkel een vaststelling van verschil, maar wordt op zich aanzien als bron en producent van problemen. Oplossingen voor de problemen die uit deze tegenstelling vloeien worden gezocht exclusief vanuit het ‘ik/wij’ en dit zonder dialoog met of inspraak van het ‘zij’. Het uitdiepen van de tegenstelling wordt als remedie aanzien daar deze uiteindelijk tot de onontkoombare en gewenste scheiding moet leiden.
afgeleide kenmerken
De meeste andere toegedachte links – rechts kenmerken zijn van bovenstaande afleidbaar.
Het niet aan de eigen identiteit conformerende dat afkeer oproept en de angst voor het vreemde (xenofobie) dat hier een gevolg van is, is dan ook eerder een rechts kenmerk. Actieve vertalingen hiervan als vreemdelingenhaat, racisme, suprematie, discriminatie zijn dit dus eveneens.
Het opkomen voor uitgeslotenen, voor de rechten van minderheden, emancipatie, zijn vanuit het ‘samen’ inclusieve en dus eerder linkse eigenschappen.
Rechts vertrekt uit het individu, het ‘ik’ of zijn veralgemening (het ‘wij’) zijn de primair belanghebbenden. Het eigene, ook het eigen bezit, staat hierbij voorop. Individualisme en egoïsme zijn dus voornamelijk rechtse kenmerken.
Door de focus op het ‘samen’ en het inclusieve, zijn sociaal gedrag en solidariteit eerder linkse kenmerken.
Door de focus op het ‘eigene’, het gekende en hierdoor meer stabiele en onveranderlijke, is conservatisme een eerder rechtse aangelegenheid.
Door de positieve ingesteldheid tegenover de mogelijkheden van vermenging en het herkennen van het vruchtbare en de vooruitgang dat hieruit kan ontstaan, is het progressieve dan weer eerder links. Door zijn geloof in het maakbare is het modernisme dus ook eerder links.
Rechts buigt terug op zichzelf, wenst de controle zelf te behouden en staat voor verregaande autonomie van elke identiteit op zich. Inmenging wordt aanzien als een bedreiging waardoor rechts staat voor meer fragmentatie. Het postmodernisme is dan ook rechts bij uitstek.
Sociale media werken een vorm van cocooning in de hand: bubble vorming die er voor zorgt dat enkel nieuws en uitwisseling bestaat tussen gelijkgezinden. Sociale media en hun algoritmes om dit te bewerkstelligen werken dus sterk fragmenterend. De Google’s, Facebook’n en andere zijn dus ondanks het progressieve, verbindende imago dat ze wensen voor te wenden, eerder rechts van aard.
Rechts is analytisch, in de dialectische triade positioneert rechts zich voornamelijk op de dyade these – antithese door de tegenstelling verder uit te diepen, links daarentegen is synthetiserend door de triade in zijn volheid te beschouwen.
Rechts staat voor onafhankelijkheid – independentie – en houdt hierdoor vast aan de (vervlogen) grootsheid van onafhankelijke staten en volkeren. Links dat zich meer op interdependentie beroept, is hierdoor beter voorbereid – althans in theorie en in de hoofden – op de wijzigende klassieke mondiale verhoudingen waarbij bijvoorbeeld buitengrenzen steeds meer vervagen.
Links is dus eerder verbindend en ziet een meerwaarde in het collectieve, maar hoe fout ook dit kan lopen, leert ons de geschiedenis …
tegenstelling en interne tegenstelling
De denk- en wereldbeelden van links en rechts staan haaks op elkaar en zijn dan ook moeilijk verzoenbaar. Links verwijt rechts een diepgaande vorm van egocentrisme en zelfs egoïsme door zijn primaire focus op het wij, rechts verdedigt zich op de xenofobe verwijten door zelf ook in de aanval te gaan en links dan weer oikofoob te noemen (zie o.a. Thierry Baudet), dit door middel van een simplificatie waarbij de hierboven vermelde dialectische triade herleid wordt tot niet meer dan de één-dimensionale these – antithese tegenstelling. Rechts probeert vervolgens aanhang te winnen door de uitgepuurde tegenstelling tussen het ‘wij’ en het ‘zij’ nog extra te accentueren en de tegenstelling zelf als oorzaak voor alle problemen aan te duiden. Links verwijt rechts deze misplaatste en self-fulfilling polarisatie.
Beide partijen gebruiken alle mogelijkheden om hun gelijk te halen. Het ‘samen’ van links is hierbij blijkbaar dan toch weer wel exclusief het andere ‘rechts’… de wit-zwart tegenstelling lijkt uiteindelijk toch niet zo duidelijk, terughoudendheid lijkt aan de orde.
Een twijfel die ook merkbaar wordt in de individuen zelf: een persoon is daarom niet ‘links-of-rechts’ maar steeds een iets ‘tussenin’: een grijs ‘links-en-rechts’. De zichzelf links toedenkende bourgeois-bohème die als het op het eigene aankomt een toch wel redelijk overheersend rechts handelen tentoonspreidt. De tussen pot en pint xenofobe toograkker met zo typerende rechtse grootspraak die het toch wel best goed kan vinden met zijn buurman van vreemde origine. Of denk aan befaamdere personen als Adam Smith en zijn tegenovergestelde uitgangspunten: redelijk rechts in zijn magnum opus Wealth of Nations, maar eerder links in zijn Theory of Moral Sentiments. Voorbeelden in overvloed te vinden.
Links en rechts zijn dus niet enkel als tegenstelling te duiden, maar eerder als een spectrum waardoor dikwijls een persoonlijke keuze in functie van de context.
de pijl, het nieuwe vraagteken
over de zin of onzin van de pijl als voorstelling van de werkelijkheid
over de keuze voor een scalaire of een vectoriele voorstelling van de werkelijkheid Lees verder “de pijl, het nieuwe vraagteken”
de über-clash
Over de nominatie tot über-clash