Als twintiger dweepte ik een beetje met de Duitse filosofen vanaf begin 20ste eeuw. De 20ste eeuw is gekenmerkt door ideeën van vooral Duitse filosofen. Ik denk hierbij aan onder andere Heidegger, Wittgenstein, ook aan alle filosofen van de Frankfurter Schule als Adorno, Benjamin, etc… ook de latere Habermas, Sloterdijk, Safranski, … Ik heb het steeds wat raar gevonden dat er op het zelfde moment in de geschiedenis in de verste verte geen gelijkaardige intellectuele stroming in de Angelsaksische wereld te bespeuren was. Helemaal merkwaardig wordt het dan ook nog dat net deze zo intellectuele omgeving in staat was tot één van de grootste uitwassen van de menselijke geschiedenis. En ook Heidegger zou hier volgens de geschiedschrijving wel wat boter op zijn hoofd hebben… Kan enkel betekenen dat uitersten steeds gepaard voorkomen: geen extreme hoogtes zonder minstens even extreme laagtes.
Sein und Zeit heb ik bij gebrek aan voldoende kennis Duitse taal uit noodzaak in de Nederlandse vertaling gelezen. Ik hou wel van het spelen met woorden, de constructies die er worden opgezet en die voorbij de zuivere betekenis van een woord een sfeer proberen te schetsen om iets onuitspreekbaar toch te proberen te benoemen. Ik ben dan ook steeds geïntegreerd geweest door de kracht van taal, de mogelijkheden die ze biedt buiten zijn eigen beperkingen om, het buiten zijn kader kunnen treden gewoon door het inventief omgaan met connoterende betekenissen.