de pijl, het nieuwe vraagteken

over de zin of onzin van de pijl als voorstelling van de werkelijkheid
over de keuze voor een scalaire of een vectoriele voorstelling van de werkelijkheid

lees als PDF

Evolutie
Een pijl heeft enkele kenmerken, ieder kan er zich wel iets bij voorstellen.
Om het toch iets concreter te maken, keren we even terug naar het begrip vector uit die – al dan niet verfoeide – lessen wiskunde misschien al wel even geleden. Herinner, een vector werd voorgesteld als een pijl gekenmerkt door enkele karakteristieken: een richting, een zin, een grootte en een aangrijpingspunt. De richting alleen gaf aan de vector geen uitsluitsel welke kant hij diende te wijzen, hiervoor diende de zin bepaald te worden.
Ook de evolutie wordt dikwijls voorgesteld door een pijl met een richting en een zin die het ‘uitrollen’ (evolvere) of het afwikkelen van wijzigingen voorstelt. De pijl geeft dan een voorstelling van een ontwikkeling die zich stelselmatig in een bepaalde richting en zin verder ontplooit, de grootte van de pijl zou hierbij kunnen staan voor de mate en snelheid waarmee de wijzigingen zich voltrekken. De term evolutie wordt hierbij meestal vernauwd tot het biologische, darwinistisch begrip ervan: we zullen het hier echter ruimer beschouwen als het (al dan niet) evolueren van de werkelijkheid op zich.

Is er ook evolutie waar te nemen in de werkelijkheid op zich?
De hamvraag luidt: naast de evolutie die we waarnemen in de biologische systemen en die we trachten te duiden met de gekende evolutietheorie, kunnen we dit veralgemenen tot de werkelijkheid? Kunnen we met ander woorden de wijzigingen die we denken waar te nemen in de werkelijkheid onder een gezamenlijke noemer brengen, zijn deze wijzigingen onderhevig aan een aantal gemeenschappelijke kenmerken en is er een referentiekader waarin we deze dan zouden kunnen voorstellen door een pijl, een pijl dus met een richting en zin waarbij de grootte van de pijl de magnitude of de sterkte van gemeenschappelijkheid van wijziging zou aanduiden?
En in de ruimte waarin we dit beschouwen, zou voor elk mogelijk aangrijpingspunt – dit dus voor minstens zowel elk moment als elke lokalisatie – deze denkbeeldig te tekenen pijl ook dan nog in ruime mate dezelfde kenmerken hebben? Zouden we met ander woorden kunnen spreken over een uniform gedrag van de pijl als een gericht (vector)veld dat over de grenzen van tijd en plaats heen staat voor een in grote mate eenduidige richting en zin voor de wijzigingen van die werkelijkheid?

Indien zo, wat veroorzaakt dan de gradiënt?
Geen evolutie zonder het begrip tijdelijkheid: iets verandert evolutionair enkel maar met de beschouwing van verloop van tijd, er is steeds een vóór en een ná nodig om te kunnen spreken over de evolutionaire wijziging. De tijd maakt het dus mogelijk al dan niet een gradiënt van iets – dat waar we naar op zoek zijn – waar te nemen die leidt tot de vector voorstelling ervan. Dit alles beschouwd in de ons (4) dimensionale gekende tijdruimte, onze natuurlijke habitat, onze reële leefwereld.
Maar het zelfde gaat op als we de werkelijkheid beschouwen in zijn ruimere context: steeds is er een wijziging die zich enkel kan manifesteren door toedoen van een extra dimensie of dimensies: een lijn is krom enkel wanneer we ze in een plat vlak kunnen zien, een hoogteverschil nemen we enkel waar doordat er een 3de ruimte dimensie is, evolutie enkel doordat we de tijd erbij nemen…
Indien we veronderstellen dat we effectief een vector voorstelling kunnen maken van de werkelijkheid, dan dienen we op zijn minst te verduidelijken welke de (scalaire en dus niet geprojecteerde) grootheid is die in haar overkoepelende ruimte wijzigt: door wat kromt de lijn, vanwaar het waargenomen hoogteverschil, of algemener, wat is het dat de bal doet rollen in de werkelijkheid… Zijn er überhaupt objectief aan te wijzen grootheden onderhevig aan een veronderstelde richting gevende gradiënt. En indien we deze al zouden vinden, dan pas volgt de écht cruciale vraag: vanwaar de gradiënt, vanwaar de rimpeling, de helling, het kantelen van de werkelijkheid, wat veroorzaakt de gradiënt op zich?
Misschien moeten we naar analogie met klassieke gradiënten bij natuurkundige fenomenen op zoek naar een externe kracht. Maar als de ultiem veranderende grootheid die we hier wensen te onderzoeken uiteindelijk de werkelijkheid zelf is, wat kan er dan nog extern aan zijn, en ook, hoe kan een wijziging zich manifesteren in een ruimere ruimte dan een ruimte die reeds alles bevat?
We botsen hier op een onbenoembare grens, een ‘rand’ waar we niet voorbij kunnen kijken: het steeds opnieuw moeten postuleren van extra dimensie(s) waartegen de wijziging opgetekend kan worden leidt op zijn minst tot verwarring. Nood aan een ruimte omvattender dan de werkelijkheid en toch nog deel van de reeds al-omvattende werkelijkheid? Een oneindig uitdijende werkelijkheid als gevolg, ongrijpbaar, en zeker on-be-grijpbaar. Eén ding is alvast duidelijk, we komen hier op een wat wazig terrein…

Op zoek naar wijzigende, richtinggevende (deel)grootheden
Niet getreurd, we proberen bij de les te blijven. En als we het omvattende niet kunnen vatten doordat we er zelf deel van uitmaken, dan moeten we maar starten van onderuit, van binnenin, analytisch, veelvuldig en iteratief, hopende op een glimp van de uiteindelijke synthese.
Zoals we reeds vermeldden, we kunnen pas spreken over een vectorveld voorstelling indien de in de ruimte wijzigende grootheid (de werkelijkheid in ons geval) in een geprojecteerde ruimte voorgesteld kan worden door een pijl met een bepaalde grootte, richting en zin. Maar doordat we niet in staat zijn deze grootheid zelf ooit te vatten, laat staan ze ons in een nog ruimere ruimte te denken waartegen we haar wijziging kunnen optekenen, zou het dan volstaan om na te gaan en aan te tonen dat delen ervan – delen die we misschien wel elk op zich kunnen vatten – zich in een bepaalde richting en zin ontwikkelen? En als de wijzigingen van deze verschillende delen zich consequent als vector zouden laten voorstellen, en er ook nog een zekere consistentie zou zijn in hun richting en zin, zouden we dan kunnen besluiten dat de resultante van al deze deelvectoren een afspiegeling geeft van de ‘grote’ vector? Alvast de poging waard.

Wat zijn deelgrootheden die we kunnen beschouwen…
We zijn hier duidelijk niet op zoek naar de gangbare biologische (evolutietheorie) of fysische grootheden (denk aan wijzigingen van temperatuur, druk en dergelijke in functie van plaats en tijd). Op zich allen best interessant, het zijn echter de grootheden die de werkelijkheid voornamelijk zijn inhoud geven. Inhoud is belangrijk, inhoud geeft betekenis, maar onze interesse gaat nu vooral even uit naar grootheden die omvattender zijn, die de werkelijkheid – wat dit ook moge zijn – zijn vorm geven.
Begrippen als ‘complexiteit’, ‘moraliteit’, ‘bewustzijn’ –  vast aan te vullen door een hele reeks andere – vormen telkens ergens mee het omvattende. Sluitend kunnen we het echter nooit maken, steeds zullen er nieuwe begrippen waargenomen kunnen worden als afspiegeling van een al dan niet uitdijende werkelijkheid, maar de poging dient ondernomen te worden. Misschien kunnen we vanuit de schaduw van de delen het schijnsel van het overkoepelende wel waarnemen, of op zijn minst, wie weet, het vermoeden van zijn bestaan…
Al deze begrippen benaderen we daarom in ’open-vraag’ modus, wat hier eigenlijk een eufemisme is voor ‘we draaien rond de pot, zolang tot we er uiteindelijk misschien wel in geraken’. We kunnen niet anders, antwoorden zullen dan ook grotendeels achterwege blijven. De uiteindelijke vraag die we ons na de oefening dienen te stellen is of ontkend kan worden dat elk van hen een onderliggende richting (en zin) uitdrukt.

complexiteit
We wagen ons schoorvoetend aan een eerste begrip: complexiteit.
Is er een objectief vast te stellen gestage verhoging van complexiteit in de werkelijkheid en is dit er dan ook een inherente eigenschap van, of is de waarneming die we er als mens van denken te ervaren eerder een bijproduct van ons ontwikkelende brein?
Moeilijke vraag, maar is de vraag stellen ze hier ook niet voor een deel beantwoorden?
Ons brein ontstaan door biologische evolutie is een vaststaand feit, hier kunnen we niet om heen, en is dus op zijn minst één voorbeeld van het gevolg van een toename van complexiteit.
Bij andere voorbeelden van toename van complexiteit denken we aan de ontwikkeling van het leven, de steeds complexer wordende moleculen die ontstonden uit hun meer elementaire bouwstenen, de evolutie van één- over meercelligen tot complexe organismen. Nog als voorbeeld: de zelforganisatie van chaotische systemen onder toevoeging van energie, weliswaar als fysisch proces te duiden en misschien eerder inhoudelijk, met een expliciete sturende input die – indien weggenomen – het systeem opnieuw doet desintegreren, maar waar het er hier om gaat: vanwaar de inherent aanwezige, richting gevende wijziging van voordien onsamenhangende delen tot een geheel van zelforganisatie.
Nog andere kandidaat illustraties: het ontstaan en de ontwikkeling van het internet, de evolutie van handel van lokale over interpersoonlijke transacties naar een geglobaliseerde wereldhandel, uitdijende sociale organisatie vormen, en waarom ook niet: het ontaarden van elke gedachte, eerst neergeschreven in een korte notitie, maar uiteindelijk uitmuntend in een halve bibliotheek, elke deur van kennis die je opent die toegang geeft tot een nieuwe zaal met weer honderd deuren …
We horen echter reeds de vraag: is dit alles ook bestendigend, is de reeds vermelde desintegratie, alles dat uiteindelijk terugkeert naar zijn elementaire bouwstenen niet een bewijs van het tegendeel en dus een afbreuk aan de veronderstelde toename van complexiteit?
Zoals werd vermeld, een open vraag … maar zien we in de cyclische beweging van op- en afbouw niet telkens opnieuw – uit een verrijkte voedingsbodem – een voortdurend weer opnieuw oprijzen van een nog hoger potentieel aan complexiteit? Vanwaar deze (meta)richting?

moraliteit
Complexiteit riep reeds veel vragen op, we begeven ons nu op glad ijs, opletten dat we niet onderuit gaan… wat met de vermeende moraliteit die we denken waar te nemen?
Weten we als mens automatisch wat goed is en wat fout of slecht, of leren we van kinds af enkel door bestraffing en conditionering dat een ander pijn doen fout is en dat we door te handelen op de ‘goede’ wijze aldus vermijden in een gelijkaardige reactie zelf nadeel te ondervinden? Is moraliteit met andere woorden enkel te verklaren als een neveneffect van het individualisatie proces en als overlevingstactiek waar de ontwikkeling van de nodige empathie en de hieruit voortvloeiende moraliteit een bijproduct van is, of is er toch meer?
Een vaststelling is dat moraliteit zich samen met de schaal van betrokkenheid tot de medemens ontwikkeld. In primitieve culturen blijkt het dan ook eerder een tribaal gegeven te zijn: een beperkt medeleven met wat zich buiten het eigene bevindt als gevolg, de mores gelden enkel in het aanschijn van de eigen gemeenschap, en als niemand kijkt dan hoeft het niet echt. Bij latere en meer ontwikkelende culturen zien we moraliteit dan ook steeds omvattender worden: niet enkel van toepassing voor de identificerende, eigen groep maar omwille van het zich individueel herkennen in een multi-identiteit ook daarbuiten. Vervolgens – in inclusievere culturen – evoluerend naar een moraliteit met een toepasbaarheid zonder uitsluiting van anderen. Dan de ganse mensheid onder auspiciën van de universele verklaring van de rechten van de mens, dit zonder uitzondering. Uiteindelijk een respect voor alles wat leeft, en tenslotte het bewustzijn dat álles leeft en zodoende met het nodige respect benaderd dient te worden.
Dus ja, we kunnen vanuit de waarneming blijkbaar spreken over een zich ontwikkelende basis-moraliteit, evoluerend over de gegeven context en de normen en waarden van een specifieke gemeenschap heen, kenmerkend en inherent aan het mens zijn zelf, gebaseerd op een universeel gevoel van inter-menselijk compassion (Schopenhauer): de evoluerende mens die zich als een deel van een groter geheel vermoedt en voor de ander en dus voor zichzelf (Dat ben jij!) door het vuur zou gaan. Hierbij het motto indachtig: er is maar één leven, één leven voor ieder en alles. Het is ook de reden waarom we willen springen in het ongewisse om toch kost wat kost iemand te redden, tegen het eigen, persoonlijke behoud in, op gevaar van eigen leven af, doordat we diep in ons weten dat we deel uitmaken van dat ene leven, de ander redden is ook onszelf redden.
Ook hier dus een evolutie, een uitdijing, een richting waar te nemen, het ‘dat’ in Dat ben jij! dat zich steeds verder uitstrekt, zelfs over het intermenselijke heen en dus zelfs verder dan het ‘dat’ waarop Schopenhauer initieel doelde…

bewustzijn
Nu gaan we misschien niet enkel even onderuit op het ijs, hopelijk zakken we er niet flagrant door…
Samen met het volumineuzer worden van onze hersenen wordt de evolutie van de mens – van primaat tot homo sapiens – gekenmerkt door een gestaag toenemend (zelf)bewustzijn.
Is hier een ontkenning mogelijk? Waarschijnlijk niet echt, maar is ook dit wel bestendig?
Indien omkeerbaar doordat de omstandigheden de evolutionaire tak van de soort homo sapiens uiteindelijk zou doen afsterven, zouden er dan andere organismen een zelfde evolutie ondergaan? Misschien dat deze evolutie onder onze ogen – maar verblind dat we zijn door de exclusieve focus op het eigen menselijke – niet wordt opgemerkt? Dolfijnen, insecten en waarschijnlijk een plejade andere diersoorten hebben ook nu reeds een in de loop der tijden ontwikkeld, en door de mens herkenbaar, sociaal bewustzijn. Misschien dat dit wel een opstap is naar individueel bewustzijn, of misschien dat het zonder de omslachtige omweg langs het individueel bewustzijn heen – waar de mens mogelijkerwijze uiteindelijk het slachtoffer zal van worden – een rechtstreekse ontwikkeling inluidt naar een universeler bewustzijn?
Kennen we trouwens voldoende de mechanismen aan de grondslag van de verschillende risomatische structuren in de natuur waarvan misschien de onderdelen niet een echt eigen deelbewustzijn vertonen, maar waar het geheel zich wel als een hogere bewustzijnsvorm lijkt te gedragen, en dit voorbij onze antropomorfische projectie van wat bewustzijn zou moeten betekenen? De evolutie van het leven dat we waarnemen is naast een evolutie van intelligentie tegelijkertijd een uitbreiding aan bewustzijn, en dit blijkbaar in alle mogelijke, al dan (nog) niet herkenbare vormen. Is bewustzijn niet net het ervan bewust zijn dat dit niet een exclusief menselijke verworvenheid is maar dat de mens er enkel deel van uit maakt?
Ook hier dus open vragen, maar veel wijst er op dat we een evolutie kunnen onderkennen.

Streven
Opletten nu, de kans dat we ingevroren geraken is echt wel reëel…
Vanwaar het voortdurende streven van de mens naar een betere versie van zichzelf, dit zowel individueel als in gemeenschap?
Kenmerkend voor de ganse geschiedenis van de mensheid zijn de veelvuldige pogingen van onnoemelijk veel individuen – en in navolging van bevolkingsgroepen – om de conditio humana naar een hoger peil te brengen, met dien te verstaan dat ‘hoger’ hier net datgene aanduidt waar we de aanwezigheid van willen aantonen: de vertikaal die de horizontaal doet verbleken, de introductie van de gradiënt die de wereld doet kantelen, de pijl die naar boven wijst. Voorbeelden zijn legio.
De asceet die via zelfkastijding zijn begeerten probeert te beteugelen en hierdoor tracht een betere zelf te creëren, het leven van de stoïcijn in uitmuntende ‘onbewogenheid’ die zijn emoties tracht te beteugelen om minder te lijden en een evenwichtiger leven te leiden, de übermensch van Nietzsche die weet dat de door ‘wil tot macht’ gekenmerkte mens maar een naar houvast zoekend tussenstadium is in de antropogenese, de (grote, innerlijke) jihad van de Moslim die door inspanning en ‘streven’ (betekenis van jihad) in persoonlijke, spirituele strijd het kwade in zichzelf tracht te overwinnen, het ora et labora van de christelijke monnik die – Benedictus’ regel volgend in armoede, gehoorzaamheid en kuisheid – beseft dat de ladder enkel maar beklommen kan worden in het zweet des aanschijns en dit door hard labeur in evenwicht met contemplatie…
De voorbeelden zijn onuitputtelijk.

… ik ken geen bemoedigender feit dan het ontegenzeggelijke vermogen van de mens om zijn leven te verheffen door bewust daarnaar te streven …
de kwaliteit van de dag beïnvloeden, dat is de hoogste van alle kunsten…
(uit Walden, Henry David Thoreau)

Meer algemeen, vanwaar toch de steeds opnieuw, voortdurende massa beoefenaars van het oefenende leven, vanwaar de bezieling die al die acrobaten van het leven toch steeds nog net hoger doet grijpen, de antropotechnische uitblinkers die geen voldoening nemen met de nivellerende status-quo van het louter mens-zijn, al die metanoëten die willens-nillens steeds een nieuwe richting willen inslaan, een richting die steeds hoger doet reiken (naar Sloterdijk, du musst dein Leben ändern).

Is er hier sprake van dwang? Misschien ten dele, het bestendigen van het leven in harmonie over de generaties heen – en dan nog liefst doorgegeven met enige meerwaarde – wordt waarschijnlijk een keurslijf waaraan wel voldaan móet worden. Maar is dit op zich niet slechts oppervlakkig een verklaring? Is er niet onderliggend een drang aanwezig naar verbetering van het eigene, los van het verwachtte en opgelegde? Vanwaar anders de volharding in de aangehaalde voorbeelden, het tot in het extreme, plichtsbewuste streven? Is naast de categorische imperatief (Kant) die we toch ook niet verdenken van inmenging van enige godsdienst of andere dwang, de in de titel van Sloterdijk’s vermelde boek aangehaalde absolute imperatief niet vrij van enig kader?
Het lijkt dan ook net andersom: niet godsdienst komt eerst, maar het intrinsieke streven zelf is het primaat. Godsdiensten komen achteraf als formalisatie van dit streven en als leidraad voor hen die minder receptief zijn voor de intrinsieke oproep. Doordat niet ieder dezelfde mate van verbondenheid met de werkelijkheid ervaart, niet ieder het zelfde bewustzijn potentieel bezit, zeg maar bewustzijn quotiënt (zie bewustzijnszoölogie), zijn het de godsdiensten die dit spanningsveld opvullen.

Weerom, veel (open) vragen, en de bewijzen vallen niet en ook nooit te leveren of we hier al dan niet een onomkeerbaar proces waarnemen. Maar op zijn minst – voorbij de grenzen van onze eigen lokaliteit (zowel in plaats als in tijd) – vermoeden we in al dit streven toch wijzigingen aan grootheden die zich niet zomaar willekeurig, maar eerder in een bepaalde richting lijken te ontplooien.

Volstaat het om gericht wijzigende deelgrootheden te vinden om vervolgens te kunnen spreken over een gericht wijzigende werkelijkheid?
Maar, ook hier opnieuw de vraag naar het waarom van het waarom.
Terug naar de les, herinner, onze eerste vraag was of we überhaupt een pijl kunnen gebruiken als voorstelling van de werkelijkheid. Kunnen we dit levensgrote vraagteken zonder schroom vervangen door een pijl?
Bovenstaande voorbeelden geven geen bevestiging maar op zijn minst wel een vermoeden dat er ontwikkelingen zijn met richting en zin. Maar wat op zijn beurt veroorzaakt dan de toename van complexiteit, dat bewustzijn een blijkbaar toenemende tendens vertoont, dat moraliteit een basisgegeven is dat steeds meer uitdijt, vanwaar het menselijk voortdurende streven naar het betere, dat er überhaupt een reden is waarom soorten willen blijven overleven en waardoor we biologische evolutie waarnemen? Dit om maar enkele voorbeelden van (deel)grootheden te noemen.
En zijn de gerichte wijzigingen die we in elk van deze deelgrootheden denken waar te nemen dan ook een gevolg van een gericht wijzigende omvattende grootheid: ultiem de werkelijkheid op zich? Zijn ze dus allen projecties hiervan, projecties waarin we de weerspiegeling zien van deze ultiem, gericht, wijzigende grootheid, of draaien we hier de zaak om en mogen we het deelgedrag niet extrapoleren naar het meer omvattende…
Ook dan blijft de vraag: vanwaar de helling die we toch wel menen waar te nemen, de gradiënt die de wereld – of op zijn minst toch delen ervan – duidelijk doet kantelen.

Terug naar het uitgangspunt waarvoor we opzoek naar een verklaring waren.
Dat we een pijl kunnen tekenen als voorstelling van op zijn minst deelwerkelijkheden lijkt steeds duidelijker. Of ze samen ook een uniforme richting en zin uitdrukken zoals we hierbij denken waar te nemen, blijft weliswaar een open vraag, maar we weten alvast dat door de afleiding te maken – in het eenvoudigste geval de projectie over de tijd – we een ruimte creëren waar we niet anders kunnen dan het als een pijl voor te stellen.
Het is dan ook de acte van afleiding zelf, de beschouwing, en dus niets anders dan ons eigen vermogen tot abstractie, zeg maar ons bewustzijn, dat de wereld doet kantelen. Het bewustzijn is hierbij niet enkel het waarnemende, abstraherende vermogen dat de pijl trekt, maar is zelf de hefboom die de wereld zijn helling geeft.

Meer dan geloof alleen?
We zijn aanbeland op het punt waar het moeilijk wordt nog verdere antwoorden te vinden, laat staan te geven: het verdere waarom waarvoor geen basis lijkt te bestaan om een rationeel, bevredigend weerwoord te geven blijft nog steeds een open vraag. Bewustzijn is toch zelf een deel van de werkelijkheid, hoe kan deze Baron Munchausen zichzelf dan langs de vertikaal omhoog trekken? En is deze vertikaal op zich trouwens niet gewoon een zinsbegoocheling, een door het bewustzijn zelf gecreëerde categorie om zijn onmacht te verhullen en zijn besef van loutere geworpenheid te temperen?
Dit is het punt waar godsdiensten – net als in de oude Griekse tragedies – hun deus-ex-machina inroepen, het mechanische duiveltje-uit-de-doos dat het verhaal, vastgelopen door al te veel plotwendingen, een bevrijdende wending moet geven en de kentering moet veroorzaken: hij die alles beweegt, hier vertaalt in hij die het vlak doet hellen, de veroorzaker van de gradiënt.
Maar een verklaring die samenvalt met een zelf in het leven geroepen oplossing is en blijft onbevredigend. En plus wordt er vervolgens ook nog een finaliteit aan gehecht: de pijl wijst toch wel naar ergens, en waar kom je dan terecht als je hem volgt, wat is het doel, de roos, het centrum waar alles op terugvalt? Elke godsdienst verwordt hierdoor finaal een teleologie. Maar ook dan volgt nog steeds de vraag: waarom is er een doel, wat is uiteindelijk het doel van dit doel? De regressie ad infinitum heeft ook hier opnieuw nood aan zijn nieuwe deus-ex-machina: de ultieme verklaring vinden we op deze wijze dus nooit, het afstoppen van de vragenbaak door een zelf verzonnen plotwending kan ook nooit een afdoend antwoord geven, is hooguit een bedwelmend soelaas voor zij die het loslaten. En zij die het uiteindelijk dan hebben opgegeven, geloven zij dit alles uiteindelijk echt zelf?

herleiding tot het enige
Wat een worsteling dat de mensheid gekenmerkt door zijn – je zou het voor minder vervloeken – richting en zin vragend maar ook creërend bewustzijn hier ondergaat. Wat een hopeloze pogingen tot afblokken en toedekken van de ultieme vraag. Geloof als pasmunt gebruikt om de openstaande rekening met de werkelijkheid te vereffenen.
Is het dan echt niet meer dan enkel geloof dat als antwoord nog mogelijk is?
Indien zo, ondanks de onmacht, dienen we dan al die vormen van geloof – het ene al wat bizarder dan het andere – niet te herleiden tot dat ene en enige dat er aan de grondslag van ligt?
En is dit enige dan uiteindelijk niet meer dan het al-dan-niet aanvaarden dat er in essentie een kanteling van de werkelijkheid bestaat, los van de al-dan-niet waarneming ervan en los van de zoektocht naar een antwoord op de vraag wat dit dan wel veroorzaakt. Is het enige niet de aanname dat er een richting en zin in de werkelijkheid bestaat, en dat deze vervolgens ook een richting en zin geeft aan dat deelfenomeen ervan, het leven, en bij reductie het particuliere leven. Is dit enige dan niet het hierboven reeds aangehaalde bewustzijn, waar we met zijn allen maar vooral ook ruimer en met zijn alles niet enkel deel van uitmaken, maar zelf creator van zijn, zelf vraagsteller en ultieme beantwoorder.
Zijn niet alle religies – ontstaan uit een individuele, diepe verbondenheid met deze werkelijkheid (re-lingare) – een bevestiging van dit ene? En zijn niet alle uit deze religies voortvloeiende godsdiensten (zie beschouwing godsdienst – religie) niet meer dan het proberen vatbaar te maken, het aanschouwelijk maken van dit ene door het poneren van elk hun eigen, in hun context meest aanvaardbare en meest wervende verhaal, hun eigen deus-ex-machina als ultiem antwoord op de vraag waarom de wereld kantelt?

Vanwaar die ambitie
Maar desondanks de voldoening die dit besef schenkt, het inzicht niet enkel opgenomen te zijn in een breder, dragend kader maar er zelf de constitutie van te zijn, en ondanks de zucht van het bevredigende antwoord die dit schenkt, de ultieme vraag blijft steeds ultiem onbeantwoord. De mens blijft met een wrang gevoel achter.
Opnieuw naar ons (vernieuwd) uitgangspunt: is het meer dan enkel geloof dat al dan niet uit maakt dat er een richting en zin in de werkelijkheid bestaat? En vooral, wat doet het er eigenlijk toe dat we een antwoord vinden op deze vraag. Vanwaar die drang, vanwaar de ambitie om achter elk antwoord opnieuw een vraag naar het waarom te stellen. Waarom niet gewoon tevreden zijn met het beschouwen van wat er aan de oorsprong ligt, de op zich pijl-loze grootheden die aan de basis liggen vooraleer de afleiding gebeurt, zonder hun door de tijd of andere dimensies en in abstracte ruimten geïnduceerde richting en zin? Waarom volstaat niet het zuivere scalaire gegeven op zich, het gebeuren zelf: dat wat bestaat voor we het trachtten te reduceren. Het is toch net in onze poging het plat te slaan (ook letterlijk) met de bedoeling er zo greep op proberen te krijgen dat we er een pijl in denken waar te nemen waar we vervolgens dan de vraag over stellen of hij er wel effectief is en naar waar deze dan wel zou wijzen? Is daarom het moment zelf niet belangrijker dan wat was of zal zijn, en heeft op zijn beurt wat was of ooit zal zijn niet evenveel recht op zijn eigen pijlloos moment, evenwaardig aan het eigenste moment, en dit in een ruimte zonder onderscheid of een voorkeur voor het vroegere, het nu of het komende?
Maar een mens wilt begrijpen, gedoemd in zijn pogingen antwoorden op zijn vragen te krijgen, of toch op zijn minst het gevoel te hebben een glimp van begrip op te vangen en het voor verklaring vragende en bezwarende uit te bannen. Zijn “in-de-wereld-zijn” is hierbij dan ook niet minder dan een natuurlijk niet-verzaken aan deze drang, het is de reden waarom de asceet tracht na te streven wat de asceet doet, het is de reden waarom de monnik zijn leven slijt in volle overgave aan zijn ora et labora. Zijn “uit-de-wereld-zijn” is de vraagsteller in hem die buiten de grenzen van het mogelijke, buiten het omsluitende geheel, een zinloze poging doet het waarom ervan tracht te achterhalen.
Maar de loutering bij het ontvangen van ook maar de kleinste glimp van elk vermeend antwoord en het gevoel van voldoening enigszins te beantwoorden aan deze intrinsieke oproep, is hierbij niet meer dan het hoogst bereikbare, maar oh zo te koesteren geschenk …

Plaats een reactie