over populisme (2) – de gewilligen

Over de gewilligen, het kanonnenvlees van de populist.
Over een nieuwe stratificatie als achterliggende verklaring.

lees als PDF

De hamvraag die beantwoord dient te worden
wat maakt het verschil dat personen met een op het eerste zicht gelijkaardige socio-culturele achtergrond al dan niet gevoelig zijn voor, en gemobiliseerd kunnen worden in een aan primaire behoeften appellerende retoriek.
Concreet: onder de eigen vrienden en familie – allen met een gelijklopende, in grote mate homogene levenssituatie – wat is de reden dat de ene persoon de machinaties achter een op opportunisme gestoeld discours doorziet, terwijl de andere blindelings de gewillige volgeling en mede-soldaat van het opruiende, populistische woord wordt?
Ook, wat maakt het verschil dat 2 buren – denk hierbij aan de jaren ’40 vorige eeuw – zonder noemenswaardige verschillen qua levensloop en opleidingsniveau, de ene de opgejaagden een schuilplaats en bescherming bood, terwijl de andere niet enkel de ondergedokenen maar ook de eigen buur, eventueel het eigen vlees en bloed aan de instanties aangaf?
Waarom radicaliseert de ene jongere en wordt hij op korte tijd aanhanger van extreem gedachtengoed, tot alles in staat, terwijl zijn eigen broer – met zeker hier identieke levenskansen en mogelijkheden – een fervent bepleiter van vrijheid en respect wordt.
Herkenbaar op zoveel plaatsen in de wereld, zeker in dit tijdsgewricht: wat doet tientallen procenten van de bevolking van de ene dag op de andere zich scharen achter voordien onbeduidende politieke partijen en dubieuze figuren met als enige werving de op zich lege belofte van verandering?

Over de gangbare antwoorden
Antwoorden op deze vragen worden traditioneel gezocht in de veelheid van tegenstellingen waar een samenleving wordt aan blootgesteld. Niettegenstaande ze allen een grond van waarheid bevatten, blijken ze in essentie echter ontoereikend te zijn om de gestelde vragen afdoende te beantwoorden…

  • Sociale stratificaties
    Sociale stratificatie wordt dikwijls als verklarende factor aangeduid: de opdeling in maatschappelijke klassen waarbij dan vooral de ‘lagere’ klassen (what’s in a name) een groter ongenoegen zouden uiten vergeleken met de ‘hogere’ klassen en zo dus gevoeliger zouden zijn voor populisme. Ook het verschil in opleidingsniveau zou er toe leiden dat minder opgeleiden zonder kritisch morren voldoen aan het appél van de populist, dit terwijl van beter opgeleiden een verhoogde immuniteit ertegen verwacht wordt. Op dezelfde wijze worden oorzaken aangewezen als het verschil in bezit – dit in de brede zin van het woord -, de al dan niet geboden mogelijkheden als gevolg van de individuele sociale positionering, tegenstellingen tussen arbeiders en bedienden, werklozen tegenover werkenden, jongeren-ouderen, enzoverder … De lijst van vermeende oorzakelijkheden op basis van sociale stratificatie is dan ook nagenoeg onuitputtelijk, steeds opnieuw zijn het dan ook de in lagere klassen gepositioneerden die blijk zouden geven van een hogere mate van ongenuanceerdheid en een daaruit volgende blinde volgzaamheid.
    Kennen we echter niet allemaal voldoende voorbeelden – het exceptionele voorbij – van personen met meerdere gewaardeerde diploma’s op zak die zichzelf, blijkbaar zonder enige vorm van kritische ingesteldheid, overgeven aan de roep van de populist? Kennen we niet allen velen uit de zogenaamde ‘hogere’ maatschappelijke lagen die – alvast op materieel vlak – niets te kort komen maar zich wat graag laten leiden door de eerste, de beste die oplossingen voor wat dan ook in het vooruitzicht stelt? En zijn er anderzijds ook niet zovelen, onderaan de sociale ladder, met een waardigheid en inzicht dat de meesten op de hogere sporten van die ladder ver overklast? Is het dus echt allemaal zo eenvoudig te herleiden tot niet meer dan het verschil in sociale klassen?
    Het herkennen van sociale stratificaties is zonder meer een handig model om sociaaleconomische ongelijkheid te verklaren en een middel om meerdere maatschappelijke verschillen te duiden zoals de mate van cultuurparticipatie, de arbeidsmarktpenetratie, economische uitgave patronen en zoveel meer, maar als verklarend fenomeen voor de gestelde vragen lijkt het alvast té simplistisch.
    Erger zelfs, eigenlijk is het ronduit een belediging voor al diegenen die vanuit een moeilijkere sociale positie in marginaliserende omstandigheden toch het beste trachten te verwezenlijken. De sociaal lager gepositioneerden dan ook met z’n allen en masse wegzetten als gewillig populistenvoer is dan ook verwerpelijk!
  • Globalisatie
    Het toverwoord bij uitstek, de passe-partout die alles verklaart: dé globalisatie!
    De canon van de gangbare duiding luidt dan ook dat de oorzaak te vinden is in de om zich heen grijpende globalisatie. Oncontroleerbare geopolitieke en economische machinaties die grote groepen personen – dikwijls voormalige middenklassers – herleiden tot kansarmen en de zogenaamde opstand van de verliezers van de globalisatie tegen de elites als gevolg hebben.
    En voilà, het andere grote woord is er uit, klinkt zo mooi, maar ook zo polariserend: dé elite!
    Wie of wat dé elite dan wel moge zijn, wordt hierbij telkens bewust onduidelijk gelaten en komt over als een onnodig verder te specifiëren container begrip voor alles waar afgegeven kan op worden. Uiteindelijk dus niet meer dan een ander woord voor het zogenaamde zij dat gepositioneerd dient te worden tegenover het zich in ongenoegen vindende nieuw gecreëerde wij. De hierdoor veroorzaakte polarisatie doet vervolgens zijn werk, hoe dan ook.
    Maar is het introduceren van nieuwe woorden die een tegenstelling oproepen zonder enige verdere specificatie op zich een verklaring? Lijkt het er hier niet sterk op dat de zogenaamde verklaring het gevolg is die de oorzaak dient te vervangen, of deze althans op zijn minst versterkt?
    Moeten we in tegenstelling met het voorgaande daarom niet eerder proberen te verduidelijken wie de echte verliezers van de globalisatie zijn en niet iedereen die een ongenoegen uit sowieso tot deze verliezers rekenen? Want zou deze heterogene groep van ‘verliezers’ zich heus herleiden tot een homogene groep van zich aan populisme overgevende en zich in calimerogedrag wentelende individuen?
    Als er al van enige ongenuanceerdheid sprake is, is het niet net op deze wijze dat alles weer opnieuw gereduceerd wordt tot één eigenschap die alles bepalend zou zijn? En is het ook hier niet wéér opnieuw een belediging voor zij die de echte verliezers van de globalisatie zijn om hen uit gemakzucht allemaal te herleiden tot zich aan populisme overgevende subjecten?
    Ontkennen dat globalisatie leidt tot verschil in sociaaleconomische mogelijkheden is niet aan de orde, maar weerom – los van winnaars en vooral verliezers – waarom bewaart het ene individu wel zijn kritische ingesteldheid terwijl het andere zich zo graag laat voorgaan door zijn opper Calimero.
    Wat maakt – voorbij de gevolgen van de globalisatie – dan wel echt het verschil?
  • Godsdienstige volgzaamheid en religieuze motieven
    Ook de al-dan-niet aanhang tot een bepaalde godsdienst lijkt onvoldoende een verklarende en wervende factor te zijn.
    Alhoewel anders gepercipieerd door de publieke opinie, blinde volgzaamheid aan het populistisch appèl in zijn meest extreme gedrag geuit in de vorm van terrorisme – dikwijls voor de eenvoud dan nog herleidt tot moslim-terrorisme – is eerder zéér uitzonderlijk. Extreem geweld vindt niet zijn oorzaak in de lokroep van de religieuze populist. Amper enkele percenten van de terroristische aanslagen in Europa de voorbije jaren bleken uiteindelijk religieus geïnspireerd (cijfers Europol). In praktijk zijn er ook geen noemenswaardige verschillen in aantallen tussen zogenaamd christelijk, islamitisch, joods of zelfs boeddhistisch geïnspireerde terroristische daden. En zelfs voor deze slechts enkele percenten zogenaamd religieus geïnspireerde gewelddaden, vermeldde het ICSR (International Centre for the Study of Radicalisation and political violence) in deze context dat minder dan 10% van (als voorbeeld) Daesh geradicaliseerden, moslim zijn in de religieuze betekenis: de meesten gebruikten de godsdienst enkel als welgekomen legitimatie voor hun afwijkend gedrag dat meestal niet meer blijkt te zijn dan een schreeuw naar persoonlijke erkenning. Als er maar ergens een hond blaft, wordt de verantwoordelijkheid daarom gretig opgeëist door terreurorganisaties als IS. De gezamenlijke media – zelf ook om aandacht schreeuwend – geeft hen op een dienblad hiervoor het nodige platform: de echte terreur zit ‘m hierbij dan ook in het onderhouden van de angst, maar er een verklaring in vinden dat voornamelijk godsdienstfanaten of religieus geïnspireerden onderhevig zijn aan de roep van het populisme, is echt wel een brug te ver.
    Rijst de vraag: wat met het tegenovergestelde, het hedendaags ontbreken en het voortdurende verder wegvallen van het godsdienstige kader samen met de toenemende mate van losgeslagenheid en de onzekerheid die dit te weeg brengt. Is het misschien het nieuwe kader aangeboden door de populist – hoe eenvoudig het ook moge klinken – dat hier soelaas breng?
    Het is duidelijk, we naderen de essentie, maar ook nu weer: waarom wervend voor sommigen maar voor al die anderen niet?
  • Ruimtelijke dimensies plaats en tijd
    “Dát zou hier nooit kunnen gebeuren…”
    Toch wel dus, plaats en tijd blijken irrelevant te zijn. Of het nu de Duitse jaren ’30 van vorige eeuw waren, de oorlog in het voormalige Joegoslavië, de achtertuin van Europa, de VS in de ban van het tenen krullende Trumpisme, het stiff upper lip Groot-Brittannië in de aanloop naar hun Brexit, de genocide in Rwanda, … geen plaats of era wordt blijkbaar gespaard.
    Angstwekkender dan de angst voor het ondenkbare is dat wat ergens anders kan of ooit kon, blijkbaar altijd en overal en dus ook hier opnieuw mogelijk is.
    Wat maakt dat de door de populist voorgestelde utopie in al zijn simpliciteit – hoe veel duidelijker kan het nog zijn – toch niet door iedereen zo wordt herkend?

Vele pogingen tot antwoorden, de opiniestukken en kranten columns staan er reeds lang dan ook meer dan bol van. En de waarheid zal – zoals steeds – niet éénduidig zijn maar moet eerder gevonden worden in het samenspel van een veelheid, waarvan hierboven slechts een aanzet van vermelding werd gemaakt. Dé vraag die moet gesteld worden is dan ook of in de veelheid van opinies en verklaringen alle factoren wel benoemd worden.
Want is het echt enkel te verklaren door de frustratie van die steeds groter wordende groep die ten gevolge van al dan niet vermeende ongelijke kansen, achterstelling of racisme geen andere uitweg zien dan hun hoop te stellen in eender wie die verandering belooft?
Is het echt enkel het terugplooien op bijvoorbeeld de nostalgie naar de natiestaat die de gewilligen – smachtend naar traditionele houvast – de populist doen nalopen?
Weerom, waarom volgt de ene als een gewillig lam de roep van de populist zonder enige bekommernis waar dit toe kan leiden, en neemt de ander waardig zelf het initiatief in zijn zoektocht naar al dan niet persoonlijke oplossingen.
Onnodig om ons minimalistisch en ontkennend uit te laten over de tegenstellingen en spanningen die mee aan de grondslag liggen van de huidige malaise, er moet sowieso een rijk gevulde voedingsbodem zijn om één en ander te kunnen laten cultiveren. Het moet echter duidelijk zijn dat de gangbare verklaringen eerder de vinger leggen op de triggers die aanleiding geven tot, dan wel een duiding zijn van de echte onderliggende oorzaak.

Op zoek naar diepere antwoorden
Veel vragen dus, en sociologisch kunnen er vast en zeker ook verklaringen gevonden worden in het gedrag van de massa op de voortdurend toenemende maatschappelijke uitdagingen die het hoofd dienen geboden te worden. Gevoel voor nuance en de uitdrukking ervan lijkt dan ook omgekeerd-evenredig met de grootte van de massa: individuele aspiraties die gefnuikt worden door een omvattende nuanceloosheid en de sprakeloze massa die het individu doet oplossen in een leegte. Maar ook al is het statistiek, de veralgemening wordt steeds bekomen door de aggregatie van de individuele ambities: elk individu is zodoende ook mede verantwoordelijk voor het resultaat. Dienen we het antwoord dan toch niet bij het individu en enkel bij het individu los van zijn context te zoeken?
En wat maakt dan echt het onderscheid: socio-ratio-economische-culturele-religieuze-of-wat-dan-ook verschillen kunnen blijkbaar niet aangewezen worden als alleen en alles verklarend fenomeen. Voor elk aan te halen voorbeeld op elk van deze uitlokkende terreinen, kunnen we minstens evenveel tegenvoorbeelden aanhalen waarvoor de stelling niet opgaat. Waarom is het zo moeilijk, zo niet onmogelijk, om toch een bevredigende verklaring te vinden…
De vraag blijft: wat is dan wel de ‘razor’ die we hier kunnen gebruiken om het onderscheid te duiden? Er moet toch ergens een verklaring zijn, een reden, iets moet het verschil maken, een momenteel nog verborgen, onderliggend, verklarend en vooral eenvoudig inzicht:  waarom blijft die ene persoon immuun voor populisme terwijl de andere het heft maar al te graag uit handen geeft en zich zonder scrupules laat leiden, door wie of wat dan ook. Zelfs meer, hoe kan het dat deze immuniteit bij de meesten onder hen toch overeind blijft ook al worden de randvoorwaarden met betrekking tot de aangehaalde socio-economische-culturele-of-wat-dan-ook omstandigheden tot het uiterste gerekt. Het niet toegeven aan de neerwaarts trekkende krachten blijkt sowieso een individuele, context-onafhankelijke gave te zijn…

Over het bewustzijns quotiënt
De hoge mate van (zelf)bewustzijn en de mogelijkheid tot zelfontplooiing die hier mee gepaard gaat, wordt aanzien als belangrijkste onderscheidende factor tussen mens en dier. Niettegenstaande dit is het bewustzijn van de mens in het algemeen en het potentieel met betrekking tot bewustzijn van de individuele persoon tot op heden weinig onderzocht, althans op zijn minst wetenschappelijk onderbelicht. We begeven ons dan ook op glas ijs, controverse is er al snel, onderscheid maken in onze menselijke soort op basis van een onduidelijk begrip als ‘bewustzijn’: not done!
Anderzijds hebben we wel veel begrippen met betrekking tot emotionele, sociale, rationele intelligentie. We trachten zelfs al deze intelligenties te kwantificeren en de verschillen tussen personen positief aan te wenden in bijvoorbeeld de selectie procedures van organisaties: ieder met zijn specifieke mogelijkheden betreffende de verschillende intelligenties op de juiste plaats is hier de boodschap. Maar het begrip ‘bewustzijn’ zelf is schimmig, onvoldoende definieerbaar en wordt mede daardoor aan de kant geschoven en genegeerd … wat echter niet wil zeggen dat het er niet zou zijn.
Maar als er dan wel zoiets bestaat dat we met de term ‘bewustzijn’ wensen uit te drukken, waarom zouden er dan niet – net als bij de zo net aangehaalde intelligenties – individuele verschillen in graad van bewustzijn bestaan? Zouden we vervolgens deze dan ook niet als een ‘intelligentie’ kunnen uitdrukken die zich al dan niet in mindere of meerdere mate uit? De rationaliteit van een persoon – in een poging dingen meetbaar of toch op zijn minst vergelijkbaar te maken – wordt van oudsher uitgedrukt in zijn intelligentie quotiënt, blijkbaar niets mis mee. Dienen we niet gelijkaardig een bewustzijn quotiënt (CQ) in te voeren om één en ander te duiden? Wat maakt dat dit onuitspreekbaar blijkt te zijn?
En is het te verwachten breed uitlopende spectrum van bewustzijnsgradaties uiteindelijk niet die achterliggende verklaring, misschien wel dé missing link waar we op zoek naar waren voor al die vragen die we ons hierboven stelden? Een zoo van menselijke subjecten met aan het ene uiterste de hoogbegaafde bewustzijn individuen en aan de andere kant – om het wat oneerbiedig uit te drukken naar analogie met de antropogenese –  de zogenaamde bewustzijnsprimaten. Zonder op harde cijfers te kunnen terugvallen, zouden de voor populisme vatbare subjecten niet voornamelijk diegenen zijn die zich in het ’infrarood’ van dit spectrum bevinden? Dus niet de ‘verliezer’ van de globalisatie want een veel te grove veralgemening, ook niet de ‘minder opgeleide’, niet de persoon uit de lagere sociale klasse, niet de godsdienstfanaat of de godsdienstig kaderloze, maar wel diegenen die zich aan de onderkant van een nieuw en verder te definiëren bewustzijnsstratificatie bevinden, dat het wezenlijke verschil uitmaakt.
En is het populistische discours dan ook misschien niet meer dan een op eenvoud gebaseerd betoog dat zich voornamelijk richt op hen die de consequenties die er met verbonden zijn onvoldoende kunnen inschatten, dus het doelpubliek dat we met deze nieuwe, oneerbiedige term – de zogenaamde bewustzijnsprimaten – kunnen aanduiden?
Elk populistisch betoog geeft het onzekere, zichzelf verloren gewaande individu – onafhankelijk van zijn positie in deze nieuwe stratificatie –  op zijn minst het gevoel van begrepen te worden, van veiligheid, het gevoel dan toch deel uit te maken van een groter, ervoor verloren gewaand verhaal. Zolang dat het verhaal maar een begrijpelijk verhaal is, ontdaan van een te veel aan nuances en franjes, zolang het de hunkerende maar in staat stelt herkenning op te roepen en de mogelijkheid biedt zich te kunnen affirmeren aan een wij gevoel gecreëerd rond een vermeende – door de populist geschepte – identiteit.
Is het niet voornamelijk de bewustzijnsprimaat die daarbij vervolgens al lang blij is een duidelijk geprononceerd antwoord te krijgen op dat waar elke mens wanhopig naar op zoek is: weten wat zijn eigen plaats is in het geheel. Hoe simplistisch deze plaats ook voorgesteld wordt, zolang het maar een plaats is. En is het onderscheid nu niet net daar in gelegen dat – hoe verder verwijderd van het infrarood in het spectrum – niet elk antwoord een valabel antwoord is, dat bewustere mensen de geboden antwoorden van op afstand kunnen beschouwen, dat niet elke plaatsing aangeboden door de populist een aanvaardbare plaats oplevert en dat ze daardoor een ingebouwde veiligheidsreflex hebben verworven tegen het in simplisme uitmuntende discours van de populist?

Enkele bedenkingen
Is bovenstaande verklaring niet wat te eenvoudig: een verklaring van een begrip (populisme) geven met behulp van een op zich onduidelijk omschreven en niet meetbaar concept (cq). De graad van individueel ‘bewustzijn’ als achterliggende verklaring invoeren om dan gebruikt te worden als de deus-ex-machina om er een mooi en afsluitend einde aan te breien. Maar is elke deus-ex-machina niet de aanzet tot een nieuw verhaal, een verhaal dat hoognodig moet verteld worden en een oproep is tot verder onderzoek naar de ware toedracht?
Wat is trouwens dat zogenaamde ‘bewustzijn’: met welke termen kunnen we het omschrijven, is er überhaupt een verschil te vinden tussen individuen en hoe dit dan te meten, is het aangeboren of wordt het verworven, is het misschien niet meer dan persoonlijk voortschrijdend inzicht, is het een potentieel dat al dan niet aangeboord en ontwikkeld kan worden, of is het misschien het appèl voor het ontwikkelen van een individueel groeipad waar al dan niet aan verzaakt kan worden… Zonder al te grote verwachtingen te willen scheppen betreffende antwoorden op al deze vragen, verwijs ik graag naar mijn tekst met betrekking tot bewustzijnszoölogie…

Een eerste aanzet tot oplossing, het counteren van de populist
Tot zover gebruiken we het bewustzijnsconcept als nieuwe breuklijn om één en ander te verklaren. Strijd is er steeds, en deze wordt steeds gestreden omwille van wanverhoudingen in mogelijkheden: kapitaal en bezit van productiemiddelen tegenover arbeid, rechten tegenover plichten, de winnaars tegen de verliezers van de globalisatie…
Deze nieuwe breuklijn als verklaring voor de huidige maatschappelijke impasse is echter van een andere orde: in tegenstelling met de klassieke breuklijnen kan er hier namelijk geen fysieke strijd gestreden worden. Er is geen ‘materiele’ oplossing die de wanverhouding ongedaan kan maken.
Er kan dan ook enkel een vermijdingsstrategie gehanteerd worden: misnoegen is de trigger en dus dienen de oorzaken van dit misnoegen zelf weg genomen te worden. Enkel het inspelen op de (wel) materiële destabilisaties die hier aan de grondslag van liggen, de triggers, lijkt dan mogelijk: investeren dus in onderwijs zodat kansen verhogen en op zijn minst het individueel bewustzijnspotentieel dat gecultiveerd dient te worden wordt aangeboord, investeren in werkgelegenheid, huisvesting, hierdoor het gevoel van waarde en participatie verhogen, ieder deelachtig maken aan de samenleving en dit zonder uitsluiting met evenwaardigheid als norm. Kortom, het uitschakelen van de mechanismen die de voedingsbodem voor populisme haar vruchtbaarheid verschaffen… En de gewilligen zullen ook dan doen waar ze goed in zijn: het navolgen en ventileren van dit keer een bevrijdend feel good.

Plaats een reactie