Over het zelfbewustzijn als evolutionaire ontwikkeling.
Over het consciousness quotiënt als middel tot verklaring van maatschappelijke fenomenen.
Daar de ontstaansgeschiedenis van de moderne mens hier niet het onderwerp is, gaan we er in alle eenvoud even vanuit dat de voor ons nu gekende anatomische mens zijn oorsprong vond zowat 250.000 jaar geleden. Het era van de vader van alle moderne mensen, Adam, de man met het gekende, typische Y-chromosoom moeten we rond deze periode situeren. Onze allermoeder, Eva, zou Afrika enkele 10.000 jaren later verlaten, de diaspora van de moderne mens nam zijn aanvang. Op de nagenoeg oneindig vertakkende evolutieboom van het leven was er een nieuwe twijg* tot ontwikkeling gekomen waar zich een bijzonder fenomeen zou op afspelen.
Ook de geschiedenis van het menselijk intellect is hier niet het onderwerp. We weten weliswaar dat sinds het ontstaan van de eerste mens, het hersenvolume meer dan verdubbelde van een 800ml tot een 1500ml en de cognitieve functies hierdoor steeds verder toenamen: het gebruik en vervaardigen van werktuigen, het ontwikkelen van taal en bewustzijn (in welke volgorde ook), veel later ook de ontwikkeling van het schrift. De mens werd een organisme dat van op zijn evolutionaire ‘twijg’ rondkeek en zichzelf een unieke plaats toemat door het zich omringende beschouwend waar te nemen: het ‘zelf’ werd geboren.
Gemakshalve wordt er vanuit gegaan dat op dat moment, als ware het een onaangekondigde donderslag bij klare hemel, de evolutie zijn einddoel bereikte: de wereld is mens geworden, en het begrip mens wordt éénduidig bepaald door zijn uniek gedacht vermogen tot zelfbeschouwing, het zelfbewustzijn als alles verterende discriminerende factor ten overstaan van de rest van de wereld. Alsof de twijg die zich een 200.000 jaar geleden op de evolutieboom vormde, gefixeerd werd en zich volledig onttrok aan elke verdere evolutie. Ja, al die andere takken mogen zich best nog verder ontwikkelen en zelfs voor de eigen tak waar de nieuwe menstwijg was op ontstaan willen we wel verdere evolutie zien, maar nadat de eigen twijg zich had gevormd uit zijn oorsprongsknop, kwamen we in onze eigen uiteindelijke toestand terecht. De mens met zijn hoogwaardige ‘zelf’ wordt van dan af aanzien als niets minder dan de uiteindelijke finaliteit van de evolutie, voor hem stopt alles en wordt de rest een afstandelijk maar aanschouwbaar gebeuren, de mens onttrekt zichzelf aan het evolutionair gebeuren, neemt de controle over, de mens wordt zelf wereld.
Hybris
Vanwaar deze overtuiging, wat verantwoordt deze hybris, waarom deze kortzichtigheid betreffende het eigene terwijl de wetenschappen op hetzelfde moment zo overschouwend werden. Misschien doordat er sinds lang geen noemenswaardige aanduidbaar fysiologische wijzigingen voor de moderne mens waarneembaar zijn, maar het is toch ook reeds lang duidelijk dat evolutie zich nooit op de schaal van een individueel leven afspeelt? Misschien vanuit een collectieve poging tot vasthouden aan het leven – onmogelijk op individuele basis – maar geprojecteerd en overgedragen op het ruimere begrip mens, niet toegestaan ooit te verdwijnen, dat is waar elk individueel geleefd leven voor eeuwig deelachtig aan zal blijven?
Maar de mens werd mens door zich te onderscheiden van het andere leven bij gratie van de ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn. Dienen we met betrekking tot dit begrip daarom niet méér aandacht te besteden aan het tot stand komen en het evolutionaire karakter ervan? Indien door deze genese een evolutionaire stap werd gezet, dan kan dit zichzelf toch niet onttrekken aan wat karakteristiek is aan evolutie: een opeenvolging van bestendigende wijzigingen die stap voor stap een betere uitrusting geven om het leven optimaler te leven en te herleven.
Evolutie
Niets dus dat ons tegenhoudt om het spoor dat ook hier werd nagelaten verder te onderzoeken. En net als elk ander evolutionair spoor, zal dit dus eveneens niet eenduidig zijn: geen op voorhand uitgezet en afgebakend pad naar de zogenaamde top, maar wel een wirwar van kleine en grotere wegen, bi- en multifurcaties in een netwerk dat zijn richting tracht te zoeken naar een optimaler zijn, een opeenvolging van al dan niet zich bestendigende oscillaties, al dan niet uitlopend in weer nieuwe knoppen die eventuele nieuwe twijgen en takken tot wasdom brengen. En dit alles in voortdurende gelijktijdigheid, instanties van menselijke wezens verspreid over een wijdverbreid rizoom. Sommige van hen nog dicht bij de tak waar de oorspronkelijke knop op ontstond, laten we deze – weliswaar oneerbiedwaardig – de primaten van het bewustzijn noemen naar analogie met de primaten in de ontstaansgeschiedenis van de mens. Anderen dan weer reeds een aantal knooppunten verder. Maar zeker nooit als één front dat zich zou verplaatsen in de richting van een nieuw uitdijend twijg-einde. Neen, de zo lang gedachte eeuwigdurende éénduidigheid is hier niet aan de orde.
En wat brengt de toekomst, wat neemt de overhand, slaagt ook hier de evolutie in zijn opzet en zal ook deze twijg zich ontwikkelen tot een heuse tak waar opnieuw nieuwe knoppen zich kunnen op ontwikkelen met ook weer nieuwe maar tot nu toe nog ongekende evolutionaire artefacten? Gaat de strijd van overleven, survival of the fittest, gewoon verder en slaan diegenen die in primaat positie zitten de anderen in hun nog wankele, oncomfortabele positie uiteindelijk finaal de kop in? Of slaagt ook nu het leven er toch weer opnieuw in zijn evolutionaire weg te vervolgen…
Eén ding is zeker: net als de vele evolutionaire sporen uit het verleden bevolkt bleven door organismen verspreid over het ganse traject, zal ook hier een co-existentie op verschillende niveaus de toekomstige richting aangeven.
Duiding
Hoe dit alles duiden, hoe grip krijgen op deze materie, liggen trouwens niet veel verklaringen voor onduidelijke menselijke fenomenen in deze wetenschap? En hebben we daarom niet nood aan een nieuw begrip hieromtrent dat de mate van bewustzijn bereikt door een individu – zeg maar zijn positie op die nieuwe twijg in ontwikkeling – tracht uit te drukken?
Het zogenoemde bewustzijnsquotiënt vindt hier zijn oorsprong: waar bevindt het particuliere bewustzijn zich in het bewustzijnsverhaal van de evolutie, is het nog in ‘primaat’ positie en zoals reeds aangehaald dicht bij de oorsprongsknop of is het er al enkele stappen van verwijderd en hierdoor verder ontwikkeld? En wie weet zijn er reeds nieuwe knoppen in ontwikkeling, ongemerkt voor wie er zelf geen deel van uitmaakt, en waar de achtergeblevenen naar kijken net zoals de primaat in onbegrip naar de mens kijkt?
Nood aan een nieuw begrip dus, een begrip dat uitdrukking geeft aan de mate van zelfreflectie, zelfbewustzijn en bewustzijn in het algemeen. En net als de mate van rationele intelligentie uitgedrukt kan worden in het zogenaamde intelligentie quotiënt – het al dan niet zinvol bepalen van dit quotiënt laten we hier buiten beschouwing – zou de mate van bewustzijn ook misschien uitgedrukt kunnen worden in een waarde: het bewustzijnsquotiënt. Laten we dit verder het ‘consciousness quotiënt’ of kortweg C-quotiënt of nog korter CQ noemen.
CQ
Wat dan te verstaan onder dit CQ en – om er enigszins vat op te krijgen – is er een mogelijkheid het te kwantificeren?
Alvast belangrijk op te merken lijkt het nagenoeg onafhankelijke karakter van het CQ ten overstaan van de andere intelligenties (IQ, EQ): volledig autonoom veronderstellen we niet dat ze zijn, het beschikken over een zekere mate van bijvoorbeeld IQ lijkt een noodzakelijke basisvoorwaarde voor het ontwikkelen van CQ maar tot daar – alhoewel dit reeds een interpretatie is – hun voorlopig onderling verband. Rationele intelligentie kunnen we hier beschouwen als de evolutionaire twijg waarop de bewustzijn oorsprongknop zich vervolgens kon ontwikkelen: een noodzakelijke echter niet voldoende voorwaarde tot ontwikkeling van bewustzijn, laat staan van differentiaties en gradaties in dit bewustzijn. Ook, zolang er onafdoende meetinstrumenten om het CQ te kwantificeren ter beschikking zijn, dienen we het best als autonoom te beschouwen. Pas wanneer de nodige instrumentaria voorhanden zijn, kan een correlatie onderzoek gebeuren. Hetzelfde gaat hier trouwens op wat betreft de m.i. nog onontgonnen correlatie studie tussen IQ en EQ.
Om vooruit te lopen op de nog niet aanwezige instrumentaria ter bepaling van het C-quotiënt, zou net als bij de bepaling van het I-quotiënt gebruik gemaakt kunnen worden van (al dan niet omstreden) ‘tests’. Waar voor de bepaling van het IQ eerder neurologisch-mechanische (responses met betrekking tot geheugen, verbale, visuele uitdagingen) gebruikt worden, dienen voor de bepaling van het C-quotiënt minder meetbare elementen, voornamelijk met betrekking tot de identiteit in relatie met de werkelijkheid, gekwantificeerd te worden. Moeilijk dus, en een wat controversieel terrein…
Maar enige logica zit er wel in het verhaal. Het gaat uiteindelijk allemaal om ‘verbindingen’. Terwijl het I-quotiënt een uitdrukking geeft aan de mate van ontwikkeling van synaptische verbindingen tussen neuronen, het E-quotiënt een maat is van verbindingen onderling tussen mensen, is het C-quotiënt een maat voor verbindingen met wat de mens zelf overstijgt: zijn omgeving, zijn plaats in de wereld. In deze begrippen zien we dan ook een evolutie van intra-menselijk, over inter-menselijk naar exo-menselijk met betrekking tot zijn relationele vaardigheden.
EQ en CQ zijn hierdoor dan ook geschiktere begrippen om de verschillende gedragsfenomenen te duiden dan het huidige beperkende terugvallen op IQ als verklaringsreden: de mate van receptiviteit voor een populistisch discours, de ontvankelijkheid voor complottheorieën, het zich laten aanpraten van al dan niet vermeende angsten, … vanuit een IQ georiënteerd standpunt allemaal meestal rationeel verantwoordbaar op basis van lokale oorzaak-gevolg redeneringen, in bredere context en be- of overschouwend (EQ en CQ) worden een aantal van deze fenomenen echter snel doorprikt.
Hierdoor zijn de woorden ‘dom’ dan wel ‘verstandig’ – begrippen die we enkel kunnen associëren met rationele intelligentie – geen categorieën die we kunnen gebruiken voor hen die bij gebrek aan voldoende ontwikkeld EQ of CQ gevoeliger zijn voor deze fenomenen. Nogmaals, het onafhankelijk zijn van de verschillende begrippen kan hierbij onvoldoende beklemtoont worden, alle combinaties zijn mogelijk: opnieuw vooruitlopend op de mogelijkheden tot kwantificatie, het aanvoelen is in elk geval dat een persoon een extreem hoog IQ kan hebben maar tegelijkertijd een nagenoeg ontbrekend EQ en/of CQ terwijl evengoed het omgekeerde mogelijk is.
Een meer wetenschappelijke benadering van het begrip CQ dringt zich dan ook op: zonder de individuele mens te willen beoordelen naar zijn CQ niveau, een beter inzicht in het begrip zou een meerwaarde kunnen betekenen in het verklaren van een aantal menselijke, intermenselijke en maatschappelijke fenomenen.
Veel mogelijkheden tot verder onderzoek in weliswaar ethisch troebele wateren…
*Ik had hier liever het woord ‘ent’ gebruikt, klinkt zoveel mooier en poëtischer, maar zou niet correct zijn: een ent vraagt een externe ingreep, uitgevoerd door een ander. Een twijg daarentegen ontwikkeld zich vanuit een knop zonder mee . Dit is dan ook een correctere weergave van het gebeuren.
Jean Ebser heeft wel een interessante aanzet gevonden tot het bepalen van de mate van bewustzijn via de culturele expressie van de of een mens in de evolutionaire geschiedenis. Ursprung und Gegenwart. Opmerkelijk dat je diezelfde weg reeds aan het bewandelen was voor de lectuur van het boek.
LikeLike